Staat moet vakantiedagen werknemer betalen

0

De kantonrechter oordeelt dat de Staat te laat actie heeft ondernomen om de vakantiedagenwetgeving, die tot 1 januari 2012 in strijd was met Europese regels, aan te passen. Daardoor kon deze werknemer geen aanspraak maken op vergoeding van vakantiedagen over zijn hele ziekteperiode. De Staat dient de werknemer daarvoor te compenseren.

De zaak

Werknemer is bij de werkgever werkzaam geweest tot juni 2009. Hij was sinds april 2007 arbeidsongeschikt. Tot 1 januari 2012 gold in Nederland dat werknemers over de periode van arbeidsongeschiktheid slechts over de laatste zes maanden van hun ziekte vakantiedagen opbouwden. De werknemer heeft daarom over het eerste anderhalf jaar van zijn ziekte geen (vergoeding van) vakantiedagen ontvangen.
In augustus 2004 is in Europese richtlijnen bepaald dat de lidstaten moeten regelen dat alle werknemers jaarlijks vier weken vakantie toegekend krijgen. Bovendien heeft het Europese Hof van Justitie (in de Bectu arresten en in het Schultz-Hoff arrest) geoordeeld dat de richtlijnen niet toestaan om werknemers van het toekennen van deze vakantierechten uit te sluiten. De richtlijnen bepalen ook dat een werknemer die aan het einde van zijn dienstverband zijn vakantie niet heeft kunnen genieten, recht heeft op een financiële vergoeding.
Het arrest Schultz-Hoff heeft geleid tot aanpassing van de Nederlandse wetgeving, waardoor allewerknemers, ongeacht hun gezondheidstoestand, recht hebben op de minimale vakantiedagenopbouw.

De vordering
De werknemer maakt bij de Staat aanspraak op vergoeding van 27,5 vakantiedagen omdat de Richtlijn niet correct in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd.

De kantonrechter
In het Bectu arrest oordeelt het Europese hof van justitie – onder meer  dat alle werkenden in de Europese Gemeenschap recht hebben op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, waarvan de duur onderling in opwaartse zin moet worden aangepast, overeenkomstig de nationale gebruiken.
De kantonrechter meent dat de wetgeving die in Nederland gold tot 1 januari 2012, in strijd hiermee is en dat de Staat deze wetgeving al na het Bectu arrest (26 juni 2001) had moeten aanpassen. Dat heeft de Staat niet gedaan. Pas na het Schultz-Hoff arrest is de Staat in actie gekomen.
Als de Staat de Richtlijn binnen een redelijke termijn na het wijzen van het Bectu arrest had geïmplementeerd, dan zou de werknemer aanspraak hebben gehad op vergoeding van vakantiedagen over de gehele periode van arbeidsongeschiktheid. Nu zijn slechts de uren die hij over de laatste zes maanden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft opgebouwd vergoed.

Kantonrechter Den Haag, 6 februari 2012, LJN: BV7318

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
De toenmalige minister van SZW, Henk Kamp, liet weten dat hij het met deze uitspraak niet eens was en zou in hoger beroep gaan. Volgens de minister is er jarenlang sprake is geweest van interpretatieverschillen over de richtlijn. In 2009  heeft Nederland pas helderheid gekregen over de Europese richtlijn door een uitspraak van het Europese Hof. Daarna is de wetgever direct aan de slag gegaan om wetgeving aan te passen.

In de praktijk
Vanaf 1 januari 2012 gelden andere regels met betrekking tot het opbouwen en opnemen van vakantiedagen. Zieke werknemers hebben recht op vakantiedagenopbouw en voor zieke en gezonde werknemers vervallen de wettelijke vakantiedagen zes maanden na het opbouwjaar.
Voor 1 januari 2012 hadden zieke werknemers slechts recht op vakantiedagenopbouw gedurende de laatste zes maanden van hun ziekte. Als een werknemer dus van 1 januari 2011 tot 31 december 2011 ziek is geweest, dan heeft hij alleen van 1 juli 2011 tot 31 december 2011 vakantiedagen opgebouwd.
Vanaf 1 januari 2012 is dat anders; de opbouw van vakantiedagen is nu gekoppeld aan het recht op loon. Zieke werknemers hebben normaal gesproken gedurende twee jaar recht op doorbetaling van hun loon, zodat zij ook gedurende twee jaar recht hebben op opbouw van (wettelijke) vakantiedagen. Daar staat tegenover dat zieke werknemers die op vakantie gaan, ook vakantiedagen opmaken. Voorheen was het vaak onduidelijk of een zieke werknemer die met vakantie ging wel of geen vakantiedagen opmaakte. Dat is niet meer zo. Sterker nog, van de werkgever wordt verwacht dat hij een re-integrerende werknemer bij aanvang van de re-integratie wijst op de mogelijkheid (en wenselijkheid) om vakantie op te nemen en hij dient dat op te nemen in het re-integratieplan. Bovendien geldt de vervaltermijn van een half jaar voor alle werknemers, dus ook voor de zieke werknemers. Als de zieke werknemer met vakantie gaat, dan mogen de vakantiedagen van zijn tegoed worden afgeboekt.

Alleen als de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest het volledige aantal minimum vakantiedagen op te nemen, dan geldt de vervaltermijn niet. In de plaats daarvan geldt dan de verjaringstermijn van vijf jaar. Als een werknemer bijvoorbeeld werkelijk te ziek was om vakantie te genieten (bijvoorbeeld omdat hij in het ziekenhuis lag), dan zou dat kunnen betekenen dat hij redelijkerwijs niet in staat wordt geacht vakantie op te nemen. In de parlementaire behandeling van de nieuwe vakantiewetgeving is wel benadrukt dat van ‘niet in staat’ niet zomaar sprake is. In principe geldt dat een werknemer die kan re-integreren, ook vakantie kan genieten.

Met de verschillende verjarings- en vervaltermijnen is de vakantiedagenadministratie er wat ingewikkelder op geworden, maar voor werknemers die ziek zijn gelden geen uitzonderingen meer.
Hoewel de wet daarover geen uitsluitsel geeft, zou een redelijke uitleg van de wet kunnen zijn dat voor zieke werknemers die per 31 december 2011 langer dan een half jaar ziek waren, de balans per 31 december 2011 dient te worden opgemaakt en vervolgens per 1 januari 2012 verder gegaan moet worden met de nieuwe wetgeving.

Het dossier Vakantiedagen wordt samengesteld door de juristen van XpertHR, dé Antwoordbank. Zie ook XpertHR.nl.

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.