JurisprudentieSlapend dienstverband in strijd met goed werkgeverschap

0

Een opvallend vonnis van de Haagse rechtbank: een zieke werkneemster werkzaam bij een zorginstelling wil dat haar werkgever haar na twee jaar ziekte ontslaat met een transitievergoeding van 150.000 euro. Het slapend dienstverband is vaak toegestaan, maar nu oordeelt de rechter anders. Waarom?

Wat eraan voorafging

Een werkneemster is statutair directeur bij een zorginstelling. Bij haar wordt kanker gediagnosticeerd en na een periode van arbeidsongeschiktheid wordt ze volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht en krijgt ze een IVA-uitkering.  De Raad van Toezicht ontslaat haar als statutair directeur mede omdat ze niet meer inzetbaar is. Haar arbeidsovereenkomst met de werkgever blijft in stand. De werkneemster verzoekt haar werkgever om ontslag waarbij ze recht heeft op een transitievergoeding. De werkgever willigt dat verzoek niet in.

Bij de rechter

De werkneemster spant een kort geding aan. Ze vraagt de rechter om de werkgever te bevelen de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning van een transitievergoeding van 150.067 euro. Haar vordering wordt spoedeisend geacht. Als het dienstverband niet op korte termijn wordt opgezegd, zal het van rechtswege eindigen zonder recht op een transitievergoeding door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of eerder vanwege het overlijden van de werkneemster. Volgens de werkneemster houdt de werkgever het dienstverband onterecht slapend zodat de transitievergoeding niet uitbetaald hoeft te worden. Zij vindt dit in strijd met goed werkgeverschap door de bijzondere omstandigheden van haar situatie en omdat de werkgever compensatie kan ontvangen voor de transitievergoeding.

  • Een werknemer heeft in principe recht op een transitievergoeding als een dienstverband twee jaar of langer heeft geduurd en het dienstverband op initiatief van de werkgever eindigt. Vanaf 1 januari treedt de wet Compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid in werking. Meer over deze compensatie leest u in de whitepaper.

    Download de whitepaper

Nieuwe wetgeving compensatie transitievergoeding

De rechter wijst op de rechtspraak over slapende dienstverbanden. Daarin wordt tot nu toe meestal geoordeeld dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar of in strijd met goed werkgeverschap handelt bij het slapend houden van het dienstverband na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Maar, oordeelt de kantonrechter in dit kort geding, die rechtspraak dateert van voor de totstandkoming van de wet over de compensatie van de transitievergoeding. Die wet treedt weliswaar pas op 1 april 2020 in werking maar geldt voor beëindigingen van na 1 juli 2015.

Er is met deze wet geen expliciet wettelijke grondslag die de werkgever verplicht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Maar met deze wet wil de wetgever wel slapende dienstverbanden tegengaan. Volgens de rechter is het met deze nieuwe wetgeving dan ook niet langer vol te houden dat het slapend houden van een dienstverband niet in strijd kan zijn met goed werkgeverschap. De omstandigheden spelen daarbij een rol.

In dit specifieke geval is er geen enkel zicht op hervatting van de werkzaamheden door de werkneemster vanwege haar ernstige ziekte. Ook heeft de werkgever geen gerechtvaardigd belang om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter verwacht dat de bodemrechter zal oordelen dat de werkgever op grond van goed werkgeverschap de arbeidsovereenkomst moet beëindigen. De kortgedingrechter beveelt de werkgever dan ook om de arbeidsovereenkomst binnen drie dagen op te zeggen, op straffe van een dwangsom.

In de praktijk

Tot nu toe is het slapend houden van een dienstverband vaak toegestaan, maar in deze zaak wordt anders geoordeeld. Daarbij speelt de zekerheid dat de werkgever compensatie krijgt voor de te betalen transitievergoeding een belangrijke rol. Dat de werkgever nog een flinke tijd op zijn geld zal moeten wachten, is geen reden voor een ander oordeel. De kortgedingrechter wijst er wel expliciet op dat de omstandigheden hier een rol spelen. Het is afwachten of deze kortgedinguitspraak ook navolging vindt.

Uitspraak:  ECLI:NL:RBDHA:2019:3109. 28 maart 2019

  • Dit artikel komt tot stand in samenwerking met XpertHR de HR Antwoordbank. XpertHR biedt arbeidsrechtelijke informatie, juridisch advies, praktische tools, praktijkcases, checklists en meer. Geïnteresseerd? Meer informatie of een online demonstratie >>>
Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.

Reageer