Veroordeling in eerste aanleg voor verkrachting geen reden voor ontslag

0

Werknemer wordt in eerste aanleg veroodeeld voor verkrachting. Werkgever
ontslaat hem op staande voet. In hoger beroep wordt werknemer vrijgesproken. De
kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet terecht was.

Een werknemer is sinds augustus 1973 bij de Stichting voor protestants christelijk onderwijs Eemland in dienst. De werknemer wordt geschorst omdat hij verdacht wordt van verkrachting. Nadat de werknemer door een strafrechter in eerste aanleg is veroordeeld voor een verkrachting is de schorsing van werknemer omgezet in een ontslag op staande voet. Als dringende reden is aangevoerd dat de strafrechtelijke veroordeling het onmogelijk maakte werknemer nog langer als docent in dienst te houden. De kantonrechter heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden.

In hoger beroep van de strafzaak wordt de werknemer vrijgesproken.

Werknemer vordert een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat nog niet vaststond dat hij zich aan zedendelicten schuldig had gemaakt waardoor een dringende reden ontbrak.

Ook vordert werknemer de voorwaardelijk toegekende ontbindingsvergoeding en loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst vanaf het ontslag op staande voet tot aan de datum van ontbinding heeft voorbestaan.

Werkgever is van oordeel dat hij na de veroordeling in eerste aanleg wel moest aannemen dat werknemer het zedendelict had gepleegd. Van werkgever kon in alle redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De einduitspraak in de strafzaak zou nog een geruime tijd op zich laten wachten, terwijl een latere vrijspraak de onschuld van werknemer niet zou kunnen vaststellen, de vertrouwensbreuk niet zou kunnen herstellen en de naam van werknemer niet zou kunnen zuiveren. Bovendien was het ondenkbaar dat werknemer ooit nog voor werkgever zou werken, omdat de (ouders van) leerlingen zijn terugkeer niet zouden accepteren.

De kantonrechter is van oordeel dat net als in het strafrecht ook in het arbeidsrecht, en in het bijzonder bij een ontslag op staande voet, geldt dat iemand onschuldig is zolang zijn schuld niet is vast komen te staan. Alleen een strafrechtelijke verdenking is onvoldoende om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De werkgever had er rekening mee moeten houden dat die veroordeling pas onherroepelijk zou worden nadat deze in hoogste rechterlijke instantie zou zijn bevestigd. Van werkgever mocht worden verlangd dat zij aan de leerlingen en hun ouders zou hebben uitgelegd dat het haar in dat stadium nog niet vrij stond definitieve stappen te nemen tegen werknemer.

Ook indien bij de beoordeling van het ontslag op staande voet rekening zou worden gehouden met de overige omstandigheden die werkgever heeft aangevoerd, kan dit niet er toe leiden dat van werkgever niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De onmiddellijke beëindiging van het dienstverband was prematuur en rechtens niet houdbaar. De vorderingen van werknemer worden toegewezen.

Bron: LJN BF2117
Kantonrechter Utrecht
Datum uitspraak: 17-09-2008

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer