Sociaal plan ontoereikend voor werknemer met 37 dienstjaren

0

Een 52-jarige werknemer die sinds zijn 14de in dienst is van een bedrijf, heeft bij ontslag recht op meer dan in het sociaal plan is geregeld. De werkgever had op basis van goed werkgeverschap een betere voorziening moeten aanbieden.

De situatie
Een productieleider van een internationaal bedrijf is sinds 1970 in dienst en verdient € 5.904,75 bruto, inclusief vakantietoeslag. De werkgever zegt eind oktober 2007 de huurovereenkomst van het werkpand op tegen 1 november 2008. In februari 2008 besluit de werkgever de Nederlandse vestiging te sluiten wegens verslechterende marktomstandigheden. Met een ontslagvergunning van het CWI wordt de werknemer, net als veel collega’s, per 1 oktober 2008 op straat gezet. Hij krijgt van de werkgever via het Grafische Bedrijfsfonds en op basis van de reorganisatie-, fusie- en liquidatieregeling (RFR) een vergoeding mee van € 30.999,85. Met de vakbonden wordt nog een aanvullend sociaal plan overeengekomen. Vanuit dat plan krijgt de werknemer onder andere loopbaanbegeleiding.

De vordering
De werknemer vordert bij de kantonrechter € 240.618,65 aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter kent hem daarvan € 100.000 toe; een beslissing waartegen zowel de werknemer als de werkgever in hoger beroep gaat. De werknemer stelt dat hij bijna 38 jaar naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en dat de vergoeding van een ton te weinig is. Gezien zijn leeftijd en eenzijdige werkervaring zal nieuw werk vinden lastig zijn. Hij zal door het ontslag bijna 7 ton aan inkomen derven en ook minder pensioen opbouwen. Doordat de werkgever een verklaring ten behoeve van zijn tweede hypotheek heeft afgegeven, terwijl de bedrijfssluiting al was voorgenomen, zit hij nu door werkgevers toedoen met dubbele lasten.

Het verweer
De werkgever vindt dat de werknemer een passende voorziening heeft gekregen omdat aan alle geldende regelingen is voldaan. De RFR-regeling is volgens de werkgever géén minimumregeling, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. Het bedrijf heeft ook geen geld voor een hogere ontslagvergoeding. Ook heeft de werknemer de loopbaanbegeleiding niet voldoende benut: hij ging uit van een te hoog, niet marktconform salaris en heeft zich niet ingeschreven bij een uitzendbureau. Daarnaast vindt de werkgever dat alle medewerkers gelijk behandeld moeten worden.

Het oordeel
Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter. De toegekende aanvulling op de WW-uitkering (ruim
€ 30.000) op basis van de RFR-regeling is onvoldoende gezien de bijzondere omstandigheden van de werknemer: de jonge leeftijd waarop hij in dienst kwam, het lange dienstverband, de eenzijdige werkervaring en de beperkte opleiding. De vele mislukte sollicitaties bevestigen dat zijn arbeidsmarktsituatie inderdaad slecht was.
Ook is het aangeboden traject van 6 maanden te kort. Voor deze werknemer was langduriger aandacht, in de vorm van begeleiding en omscholing, noodzakelijk geweest. De cao en RFR-regeling moeten, zoals de kantonrechter al oordeelde, uitgelegd worden als minimumregeling, die bovendien niet toeziet op de uitzonderlijke situatie van deze werknemer, die al sinds zijn veertiende in dienst is. Er staat geen hardheidsclausule in, terwijl deze werknemer daar bij uitstek een beroep op zou kunnen doen.

Het hof vindt dat de werkgever het verweer dat diens financiële middelen ontoereikend zouden zijn en dat de werknemer zich onvoldoende heeft ingespannen om werk te vinden, niet goed genoeg heeft onderbouwd.
De schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag blijft staan op € 100.000, daarbovenop komen de rentes vanaf 2008. De werknemer krijgt op deze manier tot aan de pensioengerechtigde leeftijd € 1.000 per maand.

LJN BR4439
Gerechtshof Amsterdam
Ontslagvergoeding
Hoger beroep
28 juni 2011

door mr. Ingrid Kooijman

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.