Onterecht ontslag wegens opzegverbod tijdens ziekte

0

Statutair directeur wordt arbeidsgeschikt verklaard door arboarts, waarna
ontslag volgt. UWV bepaalt dat werknemer wel arbeidsongeschikt is. Werknemer
roept de nietigheid van het ontslag in wegens strijd met het opzegverbod tijdens
ziekte.

Werknemer is op 1 september 1974 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgever (IBC Bouw B.V.). Per 1 mei 2001 is werknemer benoemd tot statutair directeur van de divisie Bouw. Vanaf december 2003 is de verstandhouding tussen werknemer en één van de twee directieleden, de voorzitter, verslechterd. De Raad van Bestuur weigert in dit dispuut te bemiddelen.

In 2004 is de kwestie geëscaleerd met als gevolg dat werknemer zich eind juni/ begin juli 2004 ziek heeft gemeld. De arboarts heeft op 7 juli 2004 werknemer een time-out periode voorgeschreven van 12 dagen (conform STECR richtlijn) en vanaf 19 juli 2004 arbeidsgeschikt verklaard. Op 26 juli 2004 is werknemer door de algemene vergadering van aandeelhouders ontslagen.

Werknemer vraagt een second opinion aan bij het UWV, dat oordeelt dat werknemer op 19 juli 2004 arbeidsongeschikt was. Werknemer roept de nietigheid van het ontslag in wegens strijd met het opzegverbod tijdens ziekte.

Werkgever heeft vervolgens de rechtbank verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten ter beantwoording van de vraag of werknemer op 19 juli 2004 arbeidsgeschikt dan wel arbeidsongeschikt was. De deskundige heeft op 26 april 2005 in zijn voorlopige rapportage geconcludeerd dat werknemer op 19 juli 2004 arbeidsgeschikt was. In april 2005 heeft de bedrijfsarts opnieuw geoordeeld dat werknemer arbeidsgeschikt is bij welk oordeel werknemer zich heeft neergelegd. Op 9 mei 2005 is werknemer opnieuw ontslagen voor het geval het eerdere ontslag nietig zou blijken te zijn.

Uitspraak

De rechtbank oordeelt dat werknemer ten tijde van het eerste ontslag van 26 juli 2004 als arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat het gegeven ontslag van 26 juli 2004 vanwege het opzegverbod tijdens ziekte nietig is. De rechtbank veroordeelt werkgever over de periode van 26 juli 2004 tot 9 mei 2005 het salaris alsnog aan werknemer te betalen. Daarnaast kent de rechtbank aan werknemer de gratificaties over 2004 en 2005 van € 140.000 en een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag toe ter hoogte van € 900.000 (C= 1,2). Werkgever gaat hiertegen in hoger beroep.

Hoger beroep

Het hof oordeelt dat gezien de grote verantwoordelijkheden die werknemer in de functie van statutair directeur in zijn dagelijkse werk diende te dragen en de onzekerheid die er op 19 juli 2004 nog steeds bestond ten aanzien van de oplossing van het conflict, met name nu hij geen steun ondervond van de Raad van Bestuur, de rechtbank terecht heeft overwogen dat werknemer als gevolg hiervan zodanig onder druk kan komen te staan waardoor hij (tijdelijk) op medische gronden arbeidsongeschikt kan raken zijn werk te doen.

Tevens is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden meer gewicht heeft gehecht aan het oordeel van de deskundige van UWV, die immers werknemer op 30 juli 2004 heeft onderzocht, dan de door de rechtbank benoemde deskundige die pas in april 2005 werknemer op zijn arbeidsongeschiktheid ten tijde van 26 juli 2004 heeft onderzocht. Het hof volgt het oordeel van de rechtbank.

Bron: LJN BD5660

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.