Geen schadevergoeding voor kennelijk onredelijk ontslag na weigering passende functie

0

Vordering tot schadevergoeding kennelijk onredelijk ontslag afgewezen
wegens weigering door werknemer van passende functie.

Werknemer is sinds 1 november 1979 als vertegenwoordiger werkzaam bij HGI, verkoper van chemische reinigingsproducten. Op 23 oktober 2000 is werknemer wegens ziekte uitgevallen. Vanaf 8 mei 2001 is werknemer op arbeidstherapeutische basis tot het einde van 2001 weer aan de slag gegaan. In deze periode heeft UWV werknemer ongeschikt geacht voor het uitoefenen van zijn functie als vertegenwoordiger.

Aan de hand van de algemene beleidsregels voor vertegenwoordigers van werkgever heeft UWV vervolgens vastgesteld dat aanpassing naar tijd en tijdsdruk in deze functie niet haalbaar is. Werkgever heeft werknemer een functie in de binnendienst aangeboden. Werknemer heeft deze functie geweigerd. Daarop vraagt werkgever een ontslagvergunning aan bij CWI, die toestemming verleent omdat UWV in zijn advies geen mogelijkheden tot herplaatsing zag.

Werknemer vordert van werkgever een schadevergoeding ter grootte van € 87.904,44 wegens kennelijk onredelijk ontslag. Hiertoe voert hij aan dat de hem door werkgever aangeboden werkzaamheden niet passend zijn. Daarbij komt dat werknemer zich in staat acht zijn functie als vertegenwoordiger in deeltijd te verrichten en heeft dit dan ook aan werkgever aangeboden.

Uitspraak

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Er moet van worden uitgegaan dat werknemer in staat was zijn functie als vertegenwoordiger in deeltijd uit te oefenen. Werkgever heeft niet aannemelijk kunnen maken dat deze functie zich daarvoor slecht leent. De kantonrechter kent een schadevergoeding toe van € 60.000,=.

Het hof oordeelt in hoger beroep dat werknemer de door werkgever aangevoerde bezwaren tegen de door hem gewenste functie van vertegenwoordiger in deeltijd onvoldoende heeft betwist. Voorts oordeelt het hof dat werkgever gezien de inhoud en voorwaarden van de aangeboden functie in de binnendienst, tegen de achtergrond en rekening houdend met de beperkingen van werknemer, aan werknemer een alleszins passende functie heeft aangeboden, die hij als goed werknemer niet had mogen afwijzen. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van werknemer af.

Werknemer gaat vervolgens tevergeefs in cassatie. De Hoge Raad verwerpt de cassatieklachten omdat ze niet tot cassatie kunnen leiden en er verder geen nadere motivering nodig is nu de klachten geen rechtsvragen meebrengen in de het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Bron: LJN BC9936

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer