Geen kennelijk onredelijk ontslag: onvoldoende bewijs van ernst van de gevolgen

0

Als een werkgever een werknemer ontslaat met toestemming van het CWI wil dat nog niet zeggen dat de kous daarmee af is. Een ontslag kan kennelijk onredelijk zijn als de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig zijn vergeleken met het belang van de werkgever (artikel 7:681 lid 2b BW).

Bij de beoordeling van een dergelijk eis neemt de rechter alle omstandigheden van het geval in overweging. Verschillende gerechtshoven hebben vorige week niet alleen een gezamenlijk standpunt ingenomen over de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding maar ook een groot aantal factoren genoemd, die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling van de vraag of een opzegging door de werkgever, gelet op de gevolgen voor de werknemer, onredelijk is. In dit specifieke geval oordeelde het hof dat er geen sprake was van kennelijk onredelijk ontslag omdat de werknemer onvoldoende bewijs had geleverd van de gevolgen van het ontslag voor hem.

De situatie

Een kraanmachinist heeft sinds 1969 tot 1976 en van 1983 tot 1999 voor de werkgever gewerkt, steeds op basis van korte dienstverbanden. Sinds 1999 is hij in vaste dienst. De werkgever heeft in 2007 van het CWI toestemming gekregen om de arbeidsovereenkomst met de kraanmachinist wegens bedrijfsorganisatorische/economische omstandigheden te beëindigen.  De kraanmachinist vind het ontslag kennelijk onredelijk en eist een passende schadevergoeding waarbij zijn dienstverband, leeftijd (53), gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en zijn daardoor beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt in overweging worden genomen. De kantonrechter wijst de vordering af en de kraanmachinist gaat in hoger beroep.

Het oordeel

Het hof concludeert dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer niet te ernstig zijn vergeleken met het belang van de werkgever. De werknemer heeft wel gesteld dat gezien zijn leeftijd, zijn lange dienstverband en zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid de gevolgen voor hem te ernstig zouden zijn, maar hij heeft dat niet voldoende onderbouwd. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven wat de (financiële) gevolgen voor hem precies zijn en welke belemmeringen zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zouden meebrengen bij het vinden van ander werk. Daarnaast heeft de werkgever gezegd dat de werknemer aanbiedingen heeft gehad van twee andere werkgevers. De werknemer is niet op deze aanbiedingen in gegaan. Het hof concludeert dat de kantonrechter de vordering van de werknemer terecht heeft afgewezen.

Bron: LJN BJ1710
Hof ‘s-Hertogenbosch
Procedure: hoger beroep
Datum: 07-07-2009

Door mr. Ingrid Kooijman

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.