JurisprudentieUitzendcontract na tijdelijke contracten: schijnconstructie of niet?

1

Een luchtvaartmaatschappij zet na afloop van de keten arbeidsovereenkomsten een uitzendconstructie op. Als die ook eindigt, stapt de werknemer naar de rechter. Hij meent dat hij inmiddels een vast contract heeft.

Wat eraan voorafging

Een werknemer komt op 1 juli 2014 op een jaarcontract in dienst bij een Israëlische luchtvaartmaatschappij met een kantoor in Nederland. Hij wordt Station Coördinator. Het contract wordt verlengd tot 18 juni 2016. Dan laat de werkgever weten dat een vast contract er niet in zit en dat de arbeidsrelatie daarmee op 18 juni 2016 eindigt. Omdat de Station Manager hem wil behouden, wordt er met een juridisch adviseur gekeken naar de mogelijkheden.

De werknemer krijgt een uitzendcontract bij uitzender SkyJob tot 31 mei 2017. Hij wordt door de vliegtuigmaatschappij ingeleend voor hetzelfde werk als eerst. Daarnaast wordt hij voor 3 uur per week uitgezonden als support medewerker naar Aviapartner, eveneens een bedrijf in de luchtvaartbranche. Dit uitzendcontract wordt verlengd tot 31 mei 2018. Vanaf 1 juli 2018 wordt de werknemer in een tweetrapsconstructie uitgeleend door de SkyJob aan Aviapartner, die hem vervolgens weer uitleent aan de luchtvaartmaatschappij.

Dan geeft de luchtvaartmaatschappij aan dat er geen juridische mogelijkheden meer zijn om de werknemer nog langer in dienst te houden op een tijdelijke basis. Het uitzendcontract van de werknemer eindigt op 30 juni 2019. De werknemer stapt naar de rechter.

Bij de rechter

De werknemer vordert in een kort geding van de luchtvaartmaatschappij loondoorbetaling en toelating tot zijn werk. Hij meent dat er tussen hem en de luchtvaartmaatschappij inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Volgens de werkgever is er een rechtsgeldig uitzendcontract gesloten na het einde van de tweede arbeidsovereenkomst. En dat was ook de bedoeling van beide partijen. De werkgever zegt volledig transparant te zijn geweest over het feit dat het bedrijf zich niet kon permitteren om een vast contract aan te bieden. De werknemer wist ook precies wat de constructie via de uitzender inhield en is daarmee akkoord gegaan.

De rechter buigt zich over de vraag of het uitzendcontract rechtsgeldig tot stand is gekomen of dat er sprake is van een schijnconstructie.

Het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een uitzendbureau – nadat de ketenregeling bij de werkgever is verbruikt – is toegestaan, oordeelt de rechter. Daarvoor gelden dan wel een aantal voorwaarden:

  • de werknemer moet goed geïnformeerd zijn en ingestemd hebben met indiensttreding bij de uitzender
  • de uitzender moet daadwerkelijk uitvoering geven aan het gesloten uitzendcontract

Volgens de rechter is hier geen sprake geweest van een economische dwangpositie. De bedoelingen van de partijen waren duidelijk en de werknemer heeft ondubbelzinnig ingestemd. Hij begreep de consequenties van de overheveling naar de uitzender. Het was aan de werknemer om te beslissen om in te stemmen met de constructie of zijn geluk elders te beproeven, aldus de kortgedingrechter.

De uitzender heeft ook uitvoering gegeven aan de arbeidsovereenkomst. Voor een uitzender zijn de werkgeverstaken onder meer het betalen van loon, toesturen van salarisstroken, administratie van vakantie-uren en overwerk. Dat de o.a. de leiding en toezicht bij de luchtvaartmaatschappij bleef, is nu juist een kenmerk van een uitzendrelatie. De rechter wijst de verzoeken van de werknemer af. 

In de praktijk

De kantonrechter was er vrij duidelijk over: er is hiervoor een rechtsgeldige constructie gekozen waarbij de werknemer volledig op de hoogte was van de constructie en de consequenties. Maar als werkgever moet je hier toch voorzichtig mee om gaan. De bescherming van de werknemer is nu eenmaal het uitgangspunt van het arbeidsrecht. Er ligt op dit moment een zaak voor bij de Hoge Raad waarin de advocaat -generaal heeft geconcludeerd dat ook als de constructie binnen de wettelijke kaders valt, er sprake kan zijn van misbruik. Het is nu wachten op de definitieve uitspraak van de Hoge Raad zelf.

 Uitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2019:9323,  8 november 2019.

  • Dit artikel komt tot stand in samenwerking met XpertHR, de HR Antwoordbank. XpertHR biedt arbeidsrechtelijke informatie, juridisch advies, praktische tools, praktijkcases, checklists en meer. Geïnteresseerd? Meer informatie >>>
Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.

1 reactie

  1. Avatar

    Interessante uitspraak, maar die in hoger beroep waarschijnlijk toch geen stand houdt. Immers de werknemer is wel met vol bewustzijn in de constructie gestapt, maar zat ook in een dwangpositie. Dat is de redenering die in vergelijkbare zaken met payroll van stal is gehaald. En dan dient de rechter “door de constructie heen te kijken”. We wachten vol spanning op de uitspraak van de HR.

Reageer