Ontbindende voorwaarde in oproepovereenkomst

0

Een werkneemster verschilt met haar werkgever van mening over de status van haar contract: zij meent dat ze een contract voor onbepaalde tijd heeft. Volgens de werkgever is de ontbindende voorwaarde er is geen werk meer ingegaan.

De situatie
Een werkneemster komt eerst als stagiaire bij een stichting werken, en aansluitend krijgt ze een voorovereenkomst van twee maanden voor de zomerperiode, zonder tussentijdse opzegmogelijkheid. De werkneemster werkt na die twee maanden nog door en krijgt op 1 januari 2012 een ‘arbeidsovereenkomst oproepkracht’ aangeboden. Daarin staat dat de overeenkomst is aangegaan ‘voor de duur van door de werkgever te bepalen periode. Beide partijen zijn gerechtigd deze overeenkomst te beëindigen. De overeenkomst eindigt van rechtswege zodra er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht noodzakelijk is.’ Op 15 maart krijgt ze een ‘wijzigingsovereenkomst arbeidscontract’. Daarin staat dat de geldende arbeidsovereenkomst ook gaat gelden voor de uren die de werkneemster gaat werken voor een ander project. In september 2012 laat de werkgever weten dat de arbeidsovereenkomst op 20 september 2012 eindigt.

De vordering en het verweer

De werkneemster stapt naar de rechter en vordert in een kort geding onder meer loonbetaling en wedertewerkstelling. Zij meent dat er door een keten van opeenvolgende tijdelijke contracten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De werkgever beroept zich op de ontbindende voorwaarde uit het contract: het einde van de werkzaamheden waarvoor een extra arbeidskracht nodig is. De werkneemster werd steeds ingezet met een specifiek doel: ziekte, bevallingsverlof of vakantie van een andere werknemer. Dat die situaties elkaar opvolgden, is puur toeval.
Het oordeel
De kantonrechter oordeelt dat het hier gaat om een voorovereenkomst en beoordeelt de verschillende overeenkomsten als volgt:

  • Op 1 juli 2011 ontstaat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd: er is een oproep om te komen werken en de werkneemster heeft ook daadwerkelijk gewerkt. Deze arbeidsovereenkomst duurde, op grond van de voorovereenkomst, twee maanden.
  • Na 1 september is er sprake van een stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst met twee maanden, tot 1 november 2011 omdat de werkneemster is blijven werken zonder dat er een nieuw contract is gesloten.
  • Een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is stilzwijgend ontstaan toen de werkneemster ook na 1 november bleef doorwerken.
  • De vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst ontstond toen de partijen op 1 januari 2012 een nieuwe oproepovereenkomst sloten. Op dat moment ontstond nog geen contract voor onbepaalde tijd vanwege de toen geldende verruimde ketenregeling voor jongeren tot 27 jaar.
  • Arbeidsovereenkomst nummer vijf, een overeenkomst voor onbepaalde tijd, is door de oproep van 1 maart 2012 ontstaan.

Ontbindende voorwaarde niet objectief geformuleerd
De werkgever beroept zich op de ontbindende voorwaarde uit het contract: de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege als er geen werkzaamheden meer zijn waarvoor een extra arbeidskracht nodig is. Dat is volgens de rechter geen objectieve reden, en daarmee is de ontbindende voorwaarde ongeldig. De werkgever voert weliswaar aan dat de inzet van de werkneemster steeds een specifiek doel had, zoals vervanging bij ziekte, maar uit het overzicht van oproepen blijkt dat de werkneemster ook voor ander extra werk is ingezet.

Gegevens rechtszaak: ECLI:NL:RBNHO:2013:2190, kort geding. Datum uitspraak: 12 maart 2013.

De kantonrechter acht het waarschijnlijk dat een rechter in een bodemprocedure ook tot deze conclusies komt. De werkgever moet het loon van de werkneemster betalen en haar weer tot het werk toelaten.

Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.

Reageer