Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

0

De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is op 1 januari 2006 vervangen door de Wet werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). De WAO blijft bestaan voor mensen die in de WAO zitten.

Werknemers die vóór 1 januari 2004 ziek zijn geworden, kunnen in de WAO terecht gekomen zijn. Mensen die later ziek zijn geworden vallen onder de WIA. WAO’ers kunnen herkeurd worden volgens nieuwe strengere criteria, al dan niet met gevolgen voor hun uitkering.

Hoogte WAO-uitkering

De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen:

1. Loondervingsuitkering

De loondervingsuitkering is gebaseerd op het dagloon. Dit is het loon dat de werknemer gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij arbeidsongeschikt werd. Voor het dagloon geldt een maximum (vanaf 1 januari 2011 € 188,88 euro bruto). Maandelijks wordt acht procent gereserveerd voor de vakantietoeslag, die in mei wordt uitbetaald. De duur van de loondervingsuitkering hangt af van de leeftijd dat de werknemer in de WAO terecht kwam.

Leeftijd
Duur
Leeftijd
Duur
t/m 32 jaar
0 jaar
48 t/m 52 jaar
2 jaar
33 t/m 37 jaar
0,5 jaar
53 t/m 57 jaar
3 jaar
38 t/m 42 jaar
1 jaar
58 jaar
6 jaar
43 t/m 47 jaar
1,5 jaar
59 jaar en ouder
tot 65 jaar

2. Vervolguitkering

De vervolguitkering is gebaseerd op het vervolgdagloon. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot het 65ste jaar. Het vervolgdagloon wordt als volgt berekend: voor elk jaar dat iemand op de ingangsdatum van de WAO-uitkering ouder is dan 15 jaar, wordt 2% van het verschil tussen het vroegere loon (maximaal € 185,46 per dag) en het minimumloon inclusief 8% vakantietoeslag (€ 67,62 per dag) opgeteld bij dat minimumloon. Als iemand bijvoorbeeld op de ingangsdatum 45 jaar is, dus 30 jaar ouder dan 15 jaar, gaat het om (30×2%=) 60% van dat verschil. Dit bedrag, opgeteld bij het minimumloon, is het vervolgdagloon en vormt de basis voor de vervolguitkering.

De hoogte van de loondervings- en vervolguitkering is, behalve van het (vervolg) dagloon, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het loon gebaseerd op het (maximum) dagloon. Deze mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald aan de hand van wat u met ‘gangbare arbeid’ nog kan verdienen. Gangbaar werk is al het werk dat iemand gezien zijn gezondheidstoestand en capaciteiten nog kan doen. De verdiensten hieruit worden vergeleken met het oorspronkelijke loon. Als u als arbeidsongeschikte zodanig hulpbehoevend bent dat geregeld verzorging nodig is, kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van het (vervolg-) dagloon. Dit geldt niet als u in een instelling bent opgenomen en de kosten daarvan door een verzekeraar worden betaald.

Als de WAO-uitkering, samen met het overige gezinsinkomen lager is dan het sociaal minimum, kunt u op grond van de Toeslagenwet een toeslag aanvragen. Als de WAOgerechtigde overlijdt, hebben de nabestaanden recht op een overlijdensuitkering. Voor wie op 1 augustus 1993 al in de WAO zat, kunnen afwijkende regels gelden.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer