JurisprudentieRechtsvermoeden arbeidsomvang bij min-max contract

0

Een casinomedewerker doet een beroep op het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang. Hij heeft een min-max contract en vindt dat zijn werkgever meer had moeten uitbetalen over een periode waarin hij niet werkte. Wat oordeelt de rechter?

Wat eraan voorafging

Een medewerker bij een casino heeft een min-max-contract voor minimaal 45,6 uur en maximaal 91,2 uur per vier weken. In december 2016 werkt hij een tijdje niet omdat hij in de cel zit. Aansluitend stelt de werkgever hem op non-actief. Per 4 maart 2017 wordt hij door de werkgever weer tewerkgesteld. Over de maanden januari en februari betaalt de werkgever het salaris over het minimum aantal uren uit. Maar de werknemer meent dat hij recht heeft op een hoger salaris. Hij vordert salaris over 77 uur per vier weken omdat hij in het voorafgaande jaar gemiddeld dat aantal uur heeft gewerkt. De werkgever wil dat hogere aantal uren niet uitbetalen en de werknemer spant een kort geding aan.

Hoe het afloopt

De werknemer doet in een kort geding een beroep op het rechtsvermoeden van de omvang van arbeid uit artikel 7:610b BW. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Die veroordeelde in 2013 een werkgever tot het verhogen van een minimum aantal uren van 5 naar 20 per week omdat de werknemer structureel meer werkte dan het overeengekomen minimum.

Maar hier is de situatie heel anders, oordeelt de kantonrechter. De bedoeling van het wetsartikel is om de werknemer houvast te bieden als (a) de omvang van het aantal werkuren niet, of niet duidelijk is overeengekomen of (b) in de situatie als het feitelijke aantal werkuren structureel hoger is dan het overeengekomen aantal.

In dit geval is de bepaling in de arbeidsovereenkomst over het minimum en maximaal aantal uren uitermate duidelijk. De rechter voegt daar aan toe dat de marge tussen het minimum en maximum wel groot is, maar dat doet aan de duidelijkheid van de bepaling niet af. Een beroep op het structureel meer werken (b) heeft alleen kans van slagen, zo oordeelt de kantonrechter in dit kort geding, als dat aantal structureel hoger ligt dan het overeengekomen maximum. En dat is hier niet het geval. De werkgever hoeft geen achterstallig loon uit te betalen.

In de praktijk

De rechter oordeelt hier dat een succesvol beroep op het rechtsvermoeden alleen kans heeft als het aantal uren structureel hoger ligt dan het maximum. Daarmee blijft de door de werkgever beoogde flexibiliteit in de arbeidsrelatie onaangetast. Het blijft natuurlijk nog wel even de vraag of deze uitspraak in een bodemprocedure of in hoger beroep ook wordt gevolgd.

Uitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2017:1417, 21 maart 2017

  • In samenwerking met XpertHR plaatst de redactie een praktijkvraag. Deze vraag wordt beantwoord door juristen van XpertHR. XpertHR biedt arbeidsrechtelijke informatie, juridisch advies, praktische tools, praktijkcases, checklists en meer. Geïnteresseerd? Vraag meer informatie of een demonstratie aan >>>
Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.

Reageer