JurisprudentieWerknemer wil van relatiebeding af voor veel hoger salaris

0

Een werknemer wil van zijn relatiebeding af om aan de slag te gaan bij een opdrachtgever van zijn werkgever. Hij krijgt daar onder meer 35% meer salaris en een beter loopbaanperspectief. Weegt zijn belang bij schorsing van het relatiebeding zwaarder dan dat van de werkgever bij handhaving?

Wat eraan voorafging

Een recruiter werkt bij een klein werving- en selectiebureau. Hij heeft een relatiebeding dat bepaalt dat hij niet binnen een jaar na uitdiensttreding mag gaan werken voor een relaties van zijn werkgever. Maar in 2018 krijgt hij een fantastisch aanbod van een van de vier grote opdrachtgevers van zijn werkgever. Hij kan daar aan de slag als recruiter en coördinator tegen veel betere arbeidsvoorwaarden zoals een hoger salaris (+35%), een premievrij pensioen, een mobiliteitsvergoeding van ruim 500 euro per maand en een niet-ziek-zijn bonus van 600 euro per half jaar. Zijn werkgever geeft hem te zullen houden aan het relatiebeding. Toch treedt de werknemer per 5 april 2016 in dienst bij dit bedrijf met 500 medewerkers en negen vestigingen.

Bij de rechter

De werknemer vraagt in een kort geding om schorsing van zijn relatiebeding. De rechter oordeelt dat de werknemer met de indiensttreding bij de nieuwe werkgever weliswaar zijn relatiebeding schendt, maar dat zijn belang bij de schorsing van het beding zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij de handhaving ervan. De werkgever gaat in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat de werknemer er bij de nieuwe werkgever aanzienlijk op vooruitgaat: een salarisstijging van bijna 35% naast nog andere financiële voordelen die hij eerder niet had. Ook zijn loopbaanperspectief is bij de nieuwe werkgever veel beter. Ook de opleiding- en ontwikkelingsmogelijkheden zijn beter: de voormalig werkgever heeft niet in hem geïnvesteerd op het gebied van opleiding en training, terwijl de nieuwe werkgever hem diverse cursussen en trainingen aanbiedt.

Dat het vertrek van de werknemer grote financiële gevolgen voor het bedrijf heeft, is door de ex-werkgever onvoldoende onderbouwd, oordeelt het hof. Dat geldt ook voor de stelling dat de werknemer alle ‘digitale knowhow’ zou hebben meegenomen waardoor die nu beschikbaar is voor de nieuwe werkgever. Het hof bekrachtig het vonnis van de kantonrechter. Het hof verwacht dat ook een bodemrechter tot eenzelfde oordeel zal komen.

In de praktijk

Het is lastig om aan te geven wanneer een een relatie- of concurrentiebeding vanwege een positieverbetering geschorst mag worden.  Aanleiding kan zijn dat de werknemer er een groot financieel voordeel bij heeft, een beter loopbaanperspectief, minder zwaar werk, betere scholings- en ontwikkelingsmogelijkheden of verbetering in de privéomstandigheden zoals een aanzienlijk kleinere woon-werkafstand. Duidelijk is dat de positieverbetering aanzienlijk moet zijn om een gehele of gedeeltelijke schorsing te rechtvaardigen.

 Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS :2020:468, 11 februari 2020

  • Antwoordbank XpertHR biedt arbeidsrechtelijke informatie, juridisch advies, praktische tools, praktijkcases, checklists en meer. Geïnteresseerd? Meer informatie >>>
Lees meer over:

Over Auteur

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.