Werkgever moet urenvermindering toestaan

0

Een servicemonteur wil minder gaan werken maar krijgt daarvoor geen toestemming van zijn werkgever. Via de rechter lukt het hem wel.

De situatie

Een servicemonteur die al 34 jaar in dienst is, wil graag minder gaan werken om meer van zijn vrije tijd te kunnen genieten. Dat laat hij zijn baas weten in een functioneringsgesprek op 16 februari 2012. Kort daarop stuurt de werkgever een memo rond waarin staat dat nieuwe verzoeken om parttime te werken in de buitendienst niet meer worden gehonoreerd. Op 23 april dient de monteur een officieel verzoek in om zijn werktijden aan te passen van 40 naar 36 uur per week. De werkgever wijst dat verzoek af. Er volgt overleg, maar ze komen er niet uit.

De vordering van de werknemer
De monteur stapt naar de rechter om op basis van de Wet aanpassing arbeidsduur de urenwijziging af te dwingen. De drie andere collega’ s in zijn team werken ook al parttime, en een andere collega is in juni 2012 nog minder uren gaan werken. Daarnaast werkt hij in de praktijk al ongeveer 36 uur per week: hij koopt steeds extra vakantiedagen in en laat overuren omzetten in vrije tijd. Als hij contractueel minder uren gaat werken en geen dagen meer inkoopt, maakt dat voor de roosters en de arbeidskosten van bijvoorbeeld vervanging geen verschil. Kennelijk kunnen rooster- en vakantieproblemen nu ook gewoon opgelost worden.

Het verweer van de werkgever: hoge kosten en roosterproblemen
De werkgever voert aan dat hij onoverkomelijke roosterproblemen krijgt als ook deze monteur parttime gaat werken. Het aantrekken van extra personeel is geen optie omdat er gewerkt wordt met acht rayons die ver uit elkaar liggen. Daarnaast zijn de ervaringen met het parttime werken van de monteurs in de buitendienst tot nu toe niet overwegend positief. Het levert onder meer een omzetdaling op omdat de parttimers beduidend minder klanten bedienen. De werkgever biedt de monteur een functie voor 36 uur per week aan in de binnendienst.

Het oordeel
De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe. De werkgever moet meewerken aan de urenaanpassing.
De werkgever heeft de argumenten van de monteur dat de toewijzing van zijn verzoek in de praktijk niets verandert, onvoldoende weerlegd. En daarmee is meteen duidelijk dat er ook geen zwaarwegend bedrijfsbelang is, oordeelt de rechter. Het kostenaspect en de angst voor precedentwerking vindt deze rechter, net als veel andere rechters, ook geen doorslaggevend argument. Uit de rechtspraak blijkt dat werkgevers met argumenten als veiligheid of patiëntenzorg wel een kans van slagen hebben.

Gegevens rechtszaak:

JAR 2013/150, in eerste aanleg bij de kantonrechter Deventer. Datum uitspraak: 18 april 2013

Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer