Verrekening studiekosten onterecht, inkomen onder minimumloon

0

In veel arbeidsovereenkomsten is een beding opgenomen waarin geregeld wordt dat de werknemer door de werkgever vergoedde studiekosten terugbetaalt als hij ontslag neemt. Zo’n beding is rechtsgeldig. Maar het daadwerkelijk verrekenen van die kosten is niet geoorloofd als daardoor het werkelijk genoten loon van de werknemer onder het wettelijk minimumloon daalt.

De situatie

Een medewerker binnendienst heeft een contract voor een jaar met een bruto maandsalaris van € 1500 per maand. In het contract is opgenomen dat de werknemer verplicht is scholing te volgen. De werkgever neemt de kosten daarvan voor zijn rekening. Daarnaast is in het contract ook nog een terugbetalingsregeling opgenomen met een afbouwperiode. De werkgever verlengt het contact na de looptijd niet en houdt de studiekosten van bijna € 1500 in op de eindafrekening. De werknemer is het niet eens met deze inhouding. Hij stapt naar de rechter en eist terugbetaling van het bedrag met wettelijke verhoging en wettelijke rente.

Het oordeel

Een werkgever mag met zijn werknemers afspraken maken over de terugbetaling van studiekosten. Maar die bevoegdheid wordt beperkt door wettelijke bepalingen en door de eisen van goed werkgeverschap. De bepaling in het contract is dus op zich toegestaan maar het inroepen ervan is in dit geval om meerdere redenen niet toelaatbaar. Allereerst omdat het contract ook een bepaling bevat dat de werknemer verplicht is om scholing te volgen waarvan de werkgever de kosten voor zijn rekening neemt. Ten tweede omdat het inhouden van een hoog bedrag in verhouding tot het lage loon in strijd is met het goed werkgeverschap. Daarnaast is de inhouding  in strijd met de wet. Door het inhouden van de studiekosten daalde het daadwerkelijk genoten loon tot onder het wettelijk minimumloon. En dat mag niet op grond van de  Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 

Wettelijke verhoging van 50%

In deze uitspraak werd de werkgever veroordeeld tot het betalen van het ingehouden bedrag, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%,plus de wettelijke rente over die twee bedragen. De wettelijke verhoging is geregeld in artikel 7:625 BW.  Elke werkgever moet het loon van de werknemer op tijd uitbetalen (art. 7:616 BW). Doet hij dit niet, dan heeft de werknemer recht op een wettelijke verhoging tot maximaal 50% van het loon als de reden van het niet uit betalen bij de werkgever ligt. De verhoging begint drie dagen na het tijdstip waarop de werkgever had moeten betalen. Vanaf de vierde tot en met de achtste dag is de verhoging 5% van het brutoloon voor elke dag die de werkgever te laat uitbetaalt. Daarna komt er voor elke dag nog 1% bij, tot het maximum van 50% procent bereikt is.

Bron: LJN BI3773
Procedure: eerste aanleg – enkelvoudig
Datum: 26-11-2008

Door mr. Ingrid Kooijman

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer