Auto van de zaak inleveren omdat het slecht gaat met het bedrijf?

0

Als een werknemer extra arbeidsvoorwaarden heeft, kan de werkgever die niet zomaar afnemen en tot op cao-niveau verlagen. Er zijn grenzen aan de offers die van werknemers gevraagd mogen worden in tijden van economische crisis.

De situatie

Een ICT-medewerker rijdt met een auto van de zaak dagelijks 60 kilometer naar zijn werk. Die auto heeft hij tot zijn beschikking gekregen als een extra arbeidsvoorwaarde in de tijd dat ICT’ers schaars waren. Nadat hij een lagere functie is gaan bekleden, heeft hij zijn salaris en de auto behouden.

In 2010 voert de werkgever een nieuw, soberder vervoersbeleid in, ingegeven door de economische situatie. De werknemer krijgt het volgende aanbod: hij levert zijn auto in en krijgt dan een reiskostenvergoeding van 19 cent per kilometer voor het hele traject. In drie jaar tijd wordt die vergoeding nog eens afgebouwd naar de geldende cao-regeling: 19 cent per kilometer voor maximaal 22 kilometer. Die laatste stap terug scheelt de werknemer zo’n 14 euro per dag. Hij wijst dat voorstel dan ook af. De partijen gaan in overleg maar komen er niet uit. Als de werknemer de auto op een dag achterlaat voor een servicebeurt, neemt de werkgever de auto in en stort vanaf dat moment de kilometervergoeding op de rekening van de werknemer.

Bij de rechter

De werknemer vindt dat de werkgever de auto niet had mogen innemen en vordert bij de rechter dat de werkgever de wijziging in zijn arbeidsvoorwaarden ongedaan maakt. De werkgever zegt dat de bedrijfseconomische situatie hem dwong tot de wijziging. Daarnaast wilde de werkgever ongelijkheid binnen het bedrijf voorkomen. Alle collega’s werden geconfronteerd met versoberingen en de werkgever vond het niet wenselijk dat de werknemer zijn uitzonderingspositie zou behouden. Omdat er compensatie is aangeboden in de vorm van het overnemen van de auto om niet en een reiskostenvergoeding, was het geen onredelijk voorstel, zegt de werkgever.

Het oordeel

De rechter stelt vast dat er geen eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst van de werknemer staat. En daarom moet beoordeeld worden of de aanpassing een redelijk voorstel was waaraan de werknemer gehoor moest geven. De rechter stelt vast dat er voldoende reden was om het vervoersbeleid te versoberen. Dat heeft de werkgever ook met cijfers onderbouwd. Maar de werkgever heeft geen goede reden kunnen aanvoeren voor het gelijke-behandelingsstandpunt.

De werknemer is van het begin af aan een uitzondering geweest qua arbeidsvoorwaarden en dat dit tot scheve gezichten heeft geleid, is niet aangetoond. Met het inleveren van de auto in ruil voor een onkostenvergoeding wordt in ieder geval een kostenbesparing bereikt. Een offer van de werknemer vragen van ongeveer 200 euro per maand is wel erg ingrijpend, vindt de rechter. Het inleveren van de auto mocht de werkgever vragen, maar niet een nog groter offer.
De rechter veroordeelt de werkgever tot het betalen van 19 cent per kilometer voor de volledige reisafstand.

Gegevens rechtszaak:


ECLI:NL:RBZWB:2014:3389. Datum uitspraak: 18 maart 2013

 

Lees meer over:

Over Auteur

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.