Terugvordering studiekosten na opzegging tijdens proeftijd

0

Werknemer is als trainee in dienst getreden van een bank. In de proeftijd zegt hij de arbeidsovereenkomst op. De bank vordert van de werknemer de kosten van de studie terug die deze was (en zou) gaan volgen.

Werknemer is op 1 oktober 2007, als ‘Trainee Intern Accountmanager Zakelijke relaties’ bij de afdeling Rabobank Connect, in dienst getreden van Rabobank. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van een jaar. In de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de Rabobank-cao van toepassing verklaard. Partijen zijn een proeftijd van twee maanden overeengekomen.

Rabobank heeft werknemer verplicht tot het volgen van een trainee-opleiding. Partijen sluiten een opleidingsovereenkomst, waarbij werknemer zich verplicht om vanaf 1 oktober 2007 een opleiding te volgen. In de overeenkomst is de volgende bepaling opgenomen: ‘Indien u de arbeidsovereenkomst met de Rabobank op eigen verzoek beëindigt, dient u een gedeelte van de studiekosten terug te betalen volgens onderstaand schema: (b)ij vertrek in 1e jaar dienstverband € 4.500,- (en bij vertrek in) 2e jaar dienstverband € 3.600,-.’

Op 30 november 2007, vóór het verstrijken van de proeftijd, heeft werknemer de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

Studiekosten terugvorderen

Rabobank verlangt van de rechtspraak een uitspraak over het geschil tussen partijen. Dit geschil betreft de vraag of Rabobank gerechtigd is de studiekosten van werknemer terug te vorderen nu de werknemer de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd heeft beëindigd.

Artikel 8.5.5 van de Rabobank CAO formuleert als ‘uitgangspunt (-) dat bij de te onderscheiden opleidingen die met instemming van de leidinggevende (op basis van het persoonlijk ontwikkelingsplan) worden gevolgd de daaraan verbonden studiekosten volledig door de werkgever worden vergoed.’

Gezien deze bewoordingen heeft deze cao-bepaling slechts betrekking op de situatie dat de werknemer gedurende het dienstverband te kennen heeft gegeven een opleiding te willen volgen en zijn leidinggevende daarin heeft toegestemd. Daarvan was in dit geval geen sprake, omdat Rabobank het volgen van de opleiding voorafgaand aan het dienstverband aan werknemer verplicht, en daarvan het aangaan van de arbeidsovereenkomst met hem afhankelijk heeft gesteld.

De kantonrechter is van oordeel dat de opleiding, tot het volgen waarvan werknemer zich verplicht, weliswaar niet mede onder de hier bedoelde opleidingen kan worden begrepen, maar dat voor die opleiding wèl hetzelfde uitgangspunt – namelijk dat Rabobank de daaraan verbonden kosten vergoedt – dient te worden gehanteerd.

Artikel 8.5.5 onder II van de cao stelt dat de opleiding die werknemer moest volgen niet ‘carrièregericht’ was. Het stadium waarin de opleiding is gestart en zou voortduren, respectievelijk voorafgaand aan de indiensttreding en in de eerste 11 maanden van het dienstverband, wijzen er op dat het ging om een opleiding voor (aanstaande en) nieuwe personeelsleden, die op hun werkzaamheden in de Rabobank-organisatie moesten worden voorbereid. Op een dergelijke opleiding voor beginnende medewerkers is de terugvorderingsregeling van artikel 8.5.5 onder II van de cao niet van toepassing. Voor een terugvordering, als door Rabobank bepleit, bestaat daarom geen grondslag.

Aard opleiding van belang

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bij de beantwoording van de vraag of Rabobank gerechtigd is opleidingskosten terug te vorderen, gezien de bewoordingen van de betreffende cao-regeling, niet zozeer aankomt op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst – voorafgaand aan of na het verstrijken van de bedongen proeftijd – doch dat daarvoor de aard van de betreffende opleiding beslissend is.

Hoewel die situatie zich niet vaak zal voordoen, is niet uitgesloten dat een nieuwe werknemer al in de proeftijd een carrièregerichte opleiding gaat volgen. Terugvordering van de daaraan verbonden kosten behoort dan in beginsel tot de mogelijkheden, óók indien de werknemer vervolgens in de proeftijd opzegt. Gezien het carrièregerichte karakter van de opleiding, waarbij ook de werknemer zelf is gebaat, staat hieraan het wezen van de proeftijd niet dan onder bijzondere omstandigheden in de weg.

Meestal zal, zoals ook in de onderhavige situatie het geval was, de opleiding die een nieuwkomer in de werkorganisatie gaat volgen, niet primair op diens carrière(perspectieven) zijn gericht, maar ten doel hebben hem in de verschillende aspecten van de werkorganisatie in te voeren. De daarvoor toegekende studiekostenvergoeding kan, gezien de bewoordingen van de Rabobank-cao, in beginsel niet van hem worden teuggevorderd of met hem worden verrekend, óók niet als de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de proeftijd voortduurt.

De vordering wordt afgewezen. Rabobank wordt veroordeeld in de proceskosten.

LJN BH6647
Kanton Rechtbank Utrecht
Procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Datum uitspraak: 18-03-2009

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.