Geen discriminatie na klacht over discriminatie

0

Een werkgever wordt beschuldigd van discriminatie door een werknemer, nadat de arbeidsovereenkomst van de werknemer niet verlengd is. De werknemer heeft eerder een klacht ingediend, omdat hij gediscrimineerd werd door een collega.

Werknemer is van Soedanese afkomst en is op 19 maart 2004 als medewerker productie in dienst getreden bij Burger King Restaurants B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 6 maanden. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd met een jaar en later door overgang van onderneming overgenomen door Servex. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer met ingang van 19 september 2005 verlengd voor een jaar en heeft hem een promotie en salarisverhoging gegeven.

Pesten

Werknemer is door een Turkse en Marokkaanse collega gepest en gediscrimineerd. Op 7 juni 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer, de Marokkaanse collega, de restaurantmanager en de districtmanager. De collega heeft toegegeven dat hij werknemer heeft gepest en gediscrimineerd.

Op 9 augustus 2006 is werknemer schriftelijk te kennen gegeven dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal eindigen op 18 september 2006. Werknemer heeft bij brief van 25 september 2006 een verzoek ingediend bij de Commissie Gelijke Behandeling. Deze heeft geoordeeld dat werknemer is benadeeld wegens het feit dat hij heeft geklaagd over discriminatie en dat werkgever daardoor in strijd heeft gehandeld met het verbod van victimisatie.

Werknemer vordert primair de arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen. Subsidiair vordert werknemer (een voorschot op) een schadevergoeding.

Geen specifieke sancties

De kantonrechter oordeelt dat een beroep op art. 8a AWGB, niet zoals een beroep op art. 8 AWGB, tot de mogelijkheid van vernietigbaarheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan leiden. Aan een overtreding van art. 8a AWGB zijn geen specifieke sancties verbonden.

De kantonrechter oordeelt dat er van een vordering tot schadevergoeding slechts sprake kan zijn indien het besluit de arbeidsovereenkomst niet te verlengen zijn oorzaak vindt in het op grond van art. 1 AWGB verboden onderscheid naar ras.

Daarnaast is de kantonrechter van mening dat de bijzondere bewijslastverdeling uit art. 10 AWGB niet geldt voor art. 8 en 8a AWGB. Dit betekent dat het op de weg van werknemer ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het niet aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst een gevolg is van het feit dat hij in mei 2006 heeft geklaagd over discriminatie.

De kantonrechter acht het niet bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen de klacht over discriminatie en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter komt hierdoor tot een andere vaststelling van de feiten dan de Commissie Gelijke Behandeling, zodat er grond is van dit oordeel af te wijken. Ook de subsidiaire vordering van werknemer is daarom afgewezen.

Bron: LJN BG5158
Kantonrechter Utrecht
Datum: 05-11-2008

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer