Feitelijke werkzaamheden bepalen cao

0

Uitzendbureau leent werknemer uit aan schoonmaakbedrijf. Inlener stelt werknemer op zijn beurt te werk op diverse bouwplaatsen. Werknemer wordt betaald conform CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en vordert betaling conform CAO Bouw.

Werkgever is een uitzendbureau voor schoonmakend personeel en personeel werkzaam in de bouw. Werknemer is per 21 augustus 2000 als uitzendkracht in dienst getreden in de functie van opruimer/sjouwer, op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat hierop de CAO voor Uitzendkrachten van toepassing is.

Werknemer is gedurende zijn gehele dienstverband ingeleend door dezelfde inlener. Dit bedrijf houdt zich bezig met glas- en gevelreiniging, schoonmaakwerkzaamheden en bouwoplevering. De inlener heeft op haar beurt overeenkomsten gesloten met een vierde partij, bij wie werknemer de werkzaamheden feitelijk verricht.

Gedurende zijn dienstverband is werknemer beloond conform de CAO voor het Schoonmakers- en glazenwassersbedrijf.

Vordering en verweer

Werknemer vordert betaling van loon conform de CAO voor de bouwnijverheid over de gewerkte periode. Werknemer voert hiervoor aan dat hij gelet op zijn werkzaamheden als opruimer/sjouwer op bouwplaatsen betaald dient te worden volgens de CAO voor de Bouwnijverheid.

Werkgever heeft als verweer aangevoerd dat werknemer uitsluitend is uitgeleend aan inlener en dat zijn werkzaamheden voornamelijk bestaan uit schoonmaakwerkzaamheden bij (in aanbouw zijnde) panden. Werkgever heeft betwist dat de CAO voor de Bouwnijverheid op werknemer van toepassing is.

Beoordeling van het geschil

Volgens de arbeidsovereenkomst is op de arbeidsverhouding tussen partijen de CAO voor Uitzendkrachten van toepassing. Werknemer kan slechts aanspraak maken op een beloning conform de CAO voor de Bouwnijverheid, als kan worden vastgesteld dat hij moet worden beschouwd als uitzendkracht, werkzaam in de bouw.

Het enkele feit dat werkgever werknemer heeft uitgeleend aan een bedrijf waarop de CAO voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing is, brengt echter niet mee dat deze cao automatisch van toepassing is op de werkzaamheden die werknemer heeft uitgevoerd.

Uit verklaringen van getuigen is af te leiden dat werknemer steeds te werk is gesteld op verschillende bouwprojecten. Alle getuigen hebben voorts verklaard dat werknemer zijn dagelijkse werkinstructies kreeg van de uitvoerders die in dienst waren van de bouwbedrijven. Hieruit is af te leiden dat de inlener het toezicht en de leiding over werknemer heeft gedelegeerd aan de bouwbedrijven en dat de werknemer als het ware heeft doorgeleend. Om deze reden dient niet als uitgangspunt te gelden dat de cao van de inlener, de CAO voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, op de werkzaamheden van werknemer van toepassing is. Er dient beoordeeld worden of de werkzaamheden moeten worden beschouwd als werkzaamheden in de bouw.

Uit de getuigenverklaringen is op te maken dat de werkzaamheden die werknemer verrichtte niet onder schoonmaakwerkzaamheden vallen. De kantonrechter oordeelt naar aanleiding van de veklaringen dat de werkzaamheden voldoen aan de omschrijvingen zoals in de CAO voor de Bouw zijn neergelegd. De loonvordering van de werknemer wordt toegewezen.

Bron: LJN BH0888
Procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Sector kanton Rechtbank Dordrecht
Datum: 22-01-2009

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.