Concurrentiebeding vervalt na stilzwijgende contractverlenging

2

Bij de stilzwijgende verlenging van een arbeidsovereenkomst moet het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk overeengekomen worden.

De situatie

Een monteur komt in 2003 in dienst bij de werkgever op een tijdelijke arbeidsovereenkomst. In de overeenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Na zes maanden wordt de arbeidsovereenkomst stilzwijgend verlengd maar daarbij wordt het concurrentiebeding niet opnieuw schriftelijk vastgelegd. Bij een latere verlenging wordt wel gesproken over het concurrentiebeding en krijgt de werknemer een nieuwe overeenkomst aangeboden. Hij tekent die overeenkomst niet omdat hij niet in wil stemmen met een verzwaring van het concurrentiebeding. Als hij later een aanbod krijgt voor een nieuwe baan, wijst de werkgever hem op zijn concurrentiebeding

De vordering

De werknemer vordert in kort geding vernietiging van het concurrentiebeding.

Het oordeel

De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding op 8 december 2005 zijn werking heeft verloren. Op dat moment eindigde de tijdelijke overeenkomst. Bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst had het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk overeengekomen moeten worden.

Twee zienswijzen

In de jurisprudentie wordt verschillend geoordeeld over de rechtsgeldigheid van een concurrentiebeding bij stilzwijgende verlenging. Het ene ‘kamp’ gaat uit van de voortzetting van de arbeidsverhouding onder dezelfde voorwaarden, inclusief het concurrentiebeding (Haviltex-criterium in samenhang met art. 7:668 lid 1 BW). Het andere ‘kamp’ meent dat er een geheel nieuwe arbeidsovereenkomst ontstaat (art. 7:667 lid 1 BW).
De kantonrechter houdt in dit geval vast aan een strikte interpretatie van het schriftelijkheidsvereiste. Er is een nieuwe arbeidsovereenkomst ontstaan en alhoewel de oude voorwaarden daarvoor gelden (art. 7:668 lid 1 BW) blijven ook de vormvereisten, zoals het schriftelijkheidsvereiste, gewoon bestaan. En dus had het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk moeten worden overeengekomen. De wetgever heeft die schriftlijkheidseis gesteld omdat een concurrentiebeding voor de werknemers ernstige gevolgen kan hebben. Van een werkgever mag ook worden verwacht dat hij op de hoogte is van dit vereiste.
De vordering van de werknemer wordt afgewezen omdat de rechter concludeert dat er helemaal geen concurrentiebeding meer is.

LJN BO3195
Kantonrechter ‘s-Hertogenbosch
Concurrentiebeding bij stilzwijgende verlenging
Kort geding
3 november 2010
Door mr. Ingrid Kooijman

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

2 reacties

  1. Jan vd Zanden op

    Ik denk dat heel wat bedrijven hun contractverlengingsprocedure moeten aanpassen….
    Niet zo zeer door de uitspraak, waar in dit geval tegenspraak van de werknemer was. Maar wel door de overwegingen t.a.v. 7:668 lid 1: het concurrentiebeding valt volgens sommige kantonrechters kennelijk niet onder de “vroegere voorwaarden” als dat niet expliciet en schriftelijk vermeld wordt bij de verlenging. Bizar.

  2. Hallo Jan, Ik ben het met je eens dat veel, vooral kleinere, bedrijven hun procedure voor verlenging dienen aan te passen. Van mijn jarenlange ervaring in personeelswerk weet ik dat dit punt een onderschoven kindje is. Vroeger (>10 jr geleden) kon je met een simpel briefje de AOVK verlengen. Met de invoering van het NBW is dit veranderd en zijn heel wat werkgevers “nat” gegaan op het gebied van het niet schriftelijk vastleggen van het concurrentiebeding. De uitspraak van de KR vind ik dus helemaal niet bizar, maar conform de wet en de jurisprudentie. Ik ben benieuwd wat mijn reactie losmaakt. Discussie ten overloede denk ik.