Beëindigingsovereenkomst per e-mail

0

Een schriftelijke beëindigingsovereenkomst per e-mail is, gelet op de ontwikkelingen in de moderne communicatie, voldoende.

De arbeidsovereenkomst van werknemer is beëindigd met wederzijds goedvinden. Werknemer en zijn werkgever hebben hiertoe een beëindigingsovereenkomst gesloten. Aan werknemer is een vergoeding toegekend van € 125.000,– bruto.

Fictieve opzegtermijn

Het recht op een WW-uitkering wordt bepaald door de termijn die zou hebben gegolden bij opzegging van de arbeidsovereenkomst – de fictieve opzegtermijn – en kan werknemer pas na de fictieve opzegtermijn aanspraak maken op een WW-uitkering. De opzegtermijn zou bij opzegging van de arbeidsovereenkomst vier maanden hebben bedraagd.

Het geschil tussen partijen is geheel terug te voeren op de vraag wanneer de fictieve opzegtermijn een aanvang heeft genomen.

UWV is uitgegaan van 10 juni 2008, de datum waarop de werkgever, nadat eiser reeds op 5 juni 2008 had getekend, de beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend. Uitgaande van deze datum zou de opzegtermijn zijn geëindigd op 31 oktober 2008. UWV heeft daarom uitkering geweigerd tot en met die datum.

Werknemer meent dat moet worden uitgegaan van 20 mei 2008, de datum waarop eiser en zijn werkgever per e-mail overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst. Uitgaande van deze datum zou de opzegtermijn zijn geëindigd op 30 september 2008. Werknemer meent derhalve aanspraak te kunnen maken op uitkering vanaf 1 oktober 2008.

De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 16, derde lid, onder c, van de WW omschrijft de hiervoor bedoelde fictieve opzegtermijn voor zover hier van belang als de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen.

Van belang is op welk moment kan worden gesproken van een schriftelijk overeengekomen beëindiging.

Moderne communicatie

UWV heeft aangegeven dat e-mail in principe ook kan worden aangemerkt als ‘schriftelijk’. De rechtbank acht deze benadering, gelet op de ontwikkelingen in de moderne communicatie, juist.

De rechtbank leidt uit de e-mailcorrespondentie tussen werknemer en werkgever af dat de werkgever in april 2008 een concept vaststellingsovereenkomst aan eiser heeft voorgelegd. Werknemer heeft naar aanleiding hiervan een aantal concrete aanpassingen voorgesteld met betrekking tot de vergoeding.

Op 20 mei 2008 heeft werkgever vervolgens aan eiser bericht: ‘Gisteren is de definitieve vaststellingsovereenkomst (inclusief de door u gewenste aanpassingen) per gewone post aan u toegestuurd.’

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet anders worden opgevat dan als een akkoordverklaring van de werkgever met de door eiser voorgestelde wijzigingen. Naar het oordeel van de rechtbank is op dat moment een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen waarbij de arbeidsovereenkomst van werknemer is beëindigd.

Werknemer heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op dat moment de fictieve opzegtermijn is begonnen.

Eisen aan e-mail?

Voor zover UWV bedoeld zou hebben meer in het algemeen te stellen dat aan een beëindiging van een arbeidsovereenkomst per e-mail bepaalde eisen zouden moeten worden gesteld merkt de rechtbank op dat in het onderhavige geval niet gebleken is dat er aanleiding zou kunnen zijn om te twijfelen aan de intenties van eiser en zijn werkgever, zoals naar voren komend uit de e-mailcorrespondentie, de authenticiteit van de overgelegde e-mails.

Dat werknemer en zijn werkgever er voor hebben gekozen in juni 2008 nog een ‘papieren’ exemplaar van de beëindigingsovereenkomst te tekenen kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan het feit dat zij het reeds in mei 2008 eens zijn geworden.

Op grond van het voorgaande wordt het beroep gegrond verklaard en dient het bestreden besluit vernietigd te worden.

LJN: BH7555
Rechtbank Zwolle
Procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
Datum uitspraak: 24-03-2009

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.