Beëindigingsovereenkomst geldig of niet?

0

Een werknemer komt de afspraken uit een beëindigingsovereenkomst niet na. De werkgever vordert daarom in een kort geding nakoming van de overeenkomst. De beëindigingsovereenkomst is geldig, maar de werkgever moet het ontbindingsverzoek alsnog op de gebruikelijke wijze indienen. Als de kantonrechter de vordering zou toewijzen, zou hij de werknemer namelijk beperken in zijn processuele vrijheid.

De situatie

Een werkgever en werknemer willen – op initiatief van de werkgever – de arbeidsovereenkomst  beëindigen.  De partijen spreken af een pro-forma procedure te voeren bij de kantonrechter: de werkgever dient op neutrale gronden een verzoek in en biedt daarbij een ontbindingsvergoeding van van € 75.000 aan. De werknemer zal een daarop afgestemd verweerschrift opstellen. Deze afspraken staan in een brief van de werknemer en de werkgever bevestigt deze afspraken schriftelijk. De werknemer heeft deze bevestigingsbrief ondertekend. Als de werkgever de werknemer het concept verzoekschrift stuurt met het verzoek dit te accorderen en hem verzoekt een concept verweerschrift op te stellen, doet de werknemer dit niet.

De vordering

De werkgever vordert de nakoming van de beëindigingsovereenkomst. De werknemer zegt dat de vordering tot nakoming in strijd is met de wet en dat er geen sprake is van een ‘perfecte en onvoorwaardelijke overeenkomst’. De werknemer vordert doorbetaling van zijn loon.

Het oordeel

De kantonrechter gaat er van uit dat de overeenkomst geldig is. Maar door de nakoming te vorderen, ontneemt de werkgever de werknemer de mogelijkheid om ook andere verweren te voeren, bijvoorbeeld het verweer van een wilsgebrek bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst.

Uit eerdere rechtspraak komt voort dat als er een ontbindingsprocedure wordt gewezen op een bestaande contractuele beëindigingsregeling, de kantonrechter die in zijn overweging moet meenemen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zijn verzoek op de normale wijze moet indienen en dat hij daarbij kan verwijzen naar de beëindigingsovereenkomst. De werknemer kan er dan – in strijd met de afspraken – voor kiezen toch verweer te voeren. Maar het is niet aan de kantonrechter om de werknemer te beperken in zijn processuele vrijheid.

Omdat de kantonrechter oordeelt dat de beëindigingsovereenkomst geldig is, wordt de vordering tot loondoorbetaling afgewezen. Daarbij weegt ook mee dat de werkgever heeft gezegd zich aan zijn deel van de overeenkomst te houden en de afgesproken € 75.000 uit te betalen. Daarmee heeft de werknemer ook geen spoedeisend belang meer.

Bron: LJN BJ 4903
Rechtbank ’s Hertogenbosch
Procedure: kort geding
Datum: 03 augustus 2009

Door mr. Ingrid Kooijman

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.