Afspraak mogelijke contractverlenging niet af te dwingen

0

Een werkgever en een werkneemster verschillen van mening over de uitleg van een intentie in het arbeidscontract. Heeft de werkgever een vast contract toegezegd, of alleen maar een niet- afdwingbare intentie op papier gezet?

De situatie

Een werkneemster komt als directeur HR in dienst op een jaarcontract. In de arbeidsovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen: Bij functioneren naar wederzijdse tevredenheid is het de intentie van de onderneming om deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 9 januari 2013 om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In een brief wordt nog een aanvullende afspraak vastgelegd dat in geval van een omzetting het jaarsalaris van de werkneemster wordt verhoogd met 5.000 euro. De evaluatie vindt in juli plaats en de werkgever laat drie dagen na het gesprek weten dat de arbeidsovereenkomst niet wordt omgezet. Het bedrijf heeft te maken met tegenvallende resultaten en er wordt op korte termijn gestart met reductie van de totale overhead. De werkgever geeft de werkneemster wel de salarisverhoging. De werkgever bevestigt in november dat de arbeidsovereenkomst op 8 januari 2013 van rechtswege zal eindigen. De werkneemster is het daar niet mee eens.

De vordering
De werkneemster spant een kort geding aan. Ze vordert wedertewerkstelling en salarisbetaling.

 

Volgens haar zou ze meteen een vast contract krijgen maar omdat er wat twijfel was, is er gestart met een jaarcontract. Volgens haar was de omzetting bij een positieve uitslag van de evaluatie slechts een formaliteit. En de werkgever heeft haar tijdens het evaluatiegesprek toegezegd dat de overeenkomst zou worden omgezet in een vast contract. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werkneemster af.

Het oordeel
In hoger beroep volgt het hof het oordeel van de kantonrechter. Het hof kijkt naar wat de partijen precies zijn overeengekomen, welke betekenis ze aan de overeenkomst mochten geven en wat ze redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het hof oordeelt dat de werkneemster uit de stukken niet kan hebben begrepen dat de werkgever zich verplichtte om de overeenkomst om te zetten in een vast contract. De term intentie uit de arbeidsovereenkomst en de brief waarin staat dat er na zes maanden wordt bekeken of het dienstverband zal worden omgezet, zijn op zich duidelijk. Verder heeft de werkneemster ook niet aangetoond dat de werkgever in het hele traject ergens een afdwingbare toezegging heeft gedaan.

De omzetting volgt ook niet uit de salarisverhoging. De werkneemster kon op grond van de afspraken bij omzetting wel aanspraak maken op die verhoging, maar dat gaat andersom niet op: ze kan geen aanspraak maken op een omzetting vanwege de salarisverhoging.

Gegevens rechtszaak:ECLI:NL:GHAMS:2013:282. Datum uitspraak: 11 juni 2013
Meer uitspraken rond arbeidsrecht lees je in het dossier Jurisprudentie

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman houdt de jurisprudentie scherp in de gaten. Wekelijks publiceert ze op XpertHR Actueel artikelen rondom arbeidsrecht.

Reageer