Dienstjarenregeling leidt tot onderscheid bij afspiegeling

0

Het UWV hanteert tijdens een reorgaisatie het afspiegelingsbeginsel. Een
aantal werknemers waren eerder in dienst van de rechtsvoorganger van het UWV.
Voor een aantal medewerkers worden deze dienstjaren niet meegenomen in het
afspiegelingsbeginsel.

Het UWV hanteert het afspiegelingsbeginsel bij haar reorganisatie. Het aantal dienstjaren bepaalt wie boventallig is geworden. Werkgever baseert zich op de ‘regeling van aansluitende dienstjaren’ zoals vastgelegd in de UWV-CAO. Conform de cao is bij de vaststelling van het aantal dienstjaren voor oud-werknemers van Stichting Uitvoeringsorganisatie Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) geen rekening gehouden met de jaren gedurende welke zij in dienst zijn geweest van bedrijfsverenigingen of uitvoeringsorganen van werknemersverzekeringen die uiteindelijk in rechte zijn opgevolgd door UWV, voorafgaand aan hun dienstverband bij de USZO, rechtsvoorganger van werkgever.

41 werknemers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte de dienstjaren vóór indiensttreding bij USZO niet zijn meegenomen. Volgens werknemers is er een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt ten opzichte van werknemers die niet bij USZO werkzaam zijn geweest. Werknemers komen daardoor in een ongunstigere positie.

Werknemers stellen dat er geen objectieve rechtvaardigingsgrond is voor de ongelijke behandeling, de toepassing van de CAO-dienstjarenbepaling niet van goed werkgeverschap getuigt en de bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Zij vorderen een verklaring voor recht dat UWV ten onrechte de dienstjaren vóór de indiensttreding bij het USZO cq vanuit USZO bij één van de overige uitvoeringsinstellingen niet bij de vaststelling van het totale aantal dienstjaren van werknemers heeft betrokken. Daarnaast vorderen zij een hernieuwde vaststelling van het aantal dienstjaren.

Werkgever voert aan dat USZO destijds niet deelnam aan het overleg voor de model-CAO en andere afspraken heeft gemaakt. Dienstjaren doorgebracht bij bedrijfsverenigingen of uitvoeringsorganen van werknemersverzekeringen werden door USZO niet erkend. Binnen de werkgevers van de CAO-groep werden de dienstjaren wel erkend. USZO respecteerde slechts de dienstjaren volgens de Wet Stichting USZO en CAO. Er is geen sprake van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid omdat het niet meetellen van de jaren historisch verklaarbaar en redelijk is, aldus werkgever. Daarnaast voert zij aan dat de verplichtingen uit de CAO in overleg met representatieve werknemersvertegenwoordigingen tot stand zijn gekomen en niet in strijd zijn met goed werkgeverschap.

 

De Kantonrechter oordeelt dat de dienstjarenregeling tot indirect onderscheid leidt. Er is wel een objectieve rechtvaardigingsgrond omdat binnen de werkgevers van de CAO-groep de dienstjaren wel werden erkend en het doel van de regeling bescherming van de rechten van werknemers was. De Kantonrechter oordeelt dat onverkorte toepassing van de dienstjarenregeling voor alle werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Volgens de Kantonrechter had van werkgever mogen worden verwacht dat hij met de vakbonden in overleg zou treden om een oplossing te zoeken voor de onredelijke uitkomst van de dienstjarenregeling. Door dit na te laten – ondanks verzoeken van werknemersverenigingen – heeft zij de belangen van werknemers niet voldoende in ogenschouw genomen en handelt zij niet als goed werkgever.

De Kantonrechter stelt werkgever in het ongelijk, oordeelt dat zij opnieuw het aantal dienstjaren moet vaststellen en verklaart voor recht zoals gevorderd door werknemers.

Bron: LJN BG5063
Rechtbank Amsterdam
Datum: 10-11-2008

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer