Staat moet vakantiedagen zieke werknemers betalen

0

Een werknemer heeft met succes de Nederlandse staat aangesproken voor het niet goed vertalen van de Europese richtlijn over de minimale vakantiedagenopbouw in de Nederlandse wet. De staat moet de niet-uitbetaalde vakantiedagen vergoeden.

 

De situatie

Een medewerker bij een Haags transportbedrijf is per 1 juni 2009, na twee jaar ziekte, ontslagen met toestemming van het CWI. Hij heeft, volgens de Nederlandse wet die op dat moment gold, alleen vakantiedagen toegekend gekregen over de laatste 6 maanden van zijn ziekteperiode. Nu vordert hij van de staat uitbetaling van nog eens 27,5 vakantiedagen, zodat hij over de hele ziekteperiode vakantiedagen krijgt uitbetaald.

Waarom de staat aanspreken?

De man spreekt de staat aan omdat die de Europese richtlijn over het minimumrecht op vakantie niet goed in de Nederlandse wet heeft omgezet. En daarmee heeft de staat onrechtmatig jegens hem gehandeld.

Waarom niet de werkgever aanspreken?

De rechter concludeert dat de werkgever niet kan worden aangesproken voor de uitbetaling. Die heeft zich namelijk gewoon aan de Nederlandse wet gehouden door alleen over de laatste 6 maanden van de ziekteperiode vakantiedagen toe te kennen (art. 7:635 lid 4 BW). Een rechter kan ook geen oordeel uitspreken dat tegen de wet (contra legem) ingaat. Alhoewel dat in het verleden wel is gebeurd. Een werkgever moest van een Utrechtse kantonrechter alsnog 58 vakantiedagen uitbetalen (LJN BK0017).

Europees recht en Nederlands recht

Er zijn een aantal wettelijke regels en Europese richtlijnen die bij dit arrest belangrijk zijn:

  • Europese richtlijn 2003/88/EG, artikel 7 waarin staat dat iedere werknemer jaarlijks recht heeft op minimaal vier weken vakantie met behoud van loon, overeenkomstig de voorwaarden uit de nationale wet voor het recht op en de toekenning van die vakantie.
  • De Nederlandse vakantiewetgeving van voor 1 januari 2012, die bepaalde dat tijdens ziekte alleen over de laatste 6 maanden van de ziekteperiode vakantiedagen werden opgebouwd.
  • De Nederlandse wet van 1 januari 2012: artikel 7:634 en verder BW, waarin een vervaltermijn voor vakantiedagen is opgenomen van 6 maanden na afloop van het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd. Een uitzondering geldt voor werknemers die niet in staat waren vakantie op te nemen (art. 7:640a BW).

Het verweer

De staat stelt dat er voor aansprakelijkheid eerst een ‘ voldoende gekwalificeerde schending’ van het Europees recht moet zijn. De staat vindt dat de strijdigheid van de Nederlandse regels met het Europese recht niet zo ernstig was dat er tot aansprakelijkheid geconcludeerd kan worden. Pas in 2009, na het Schultz-Hoff-arrest is duidelijk geworden hoe artikel 7 van de richtlijn moet worden uitgelegd. De tekst van die richtlijn laat ruimte om in de nationale wet voorwaarden op te nemen voor het toekennen van vakantie, zolang er maar vier weken worden toegekend. De richtlijn zegt niets over arbeidsongeschikte werknemers. Daarnaast heeft de staat ook altijd tijd nodig om de nationale wet in overeenstemming te brengen met een Europese richtlijn.

Het oordeel

De rechter concludeert allereerst dat de wetgever destijds vond dat de bepaling in de Nederlandse wet in overeenstemming was met de richtlijn. Het gaat dus om een onjuiste uitleg van die richtlijn en niet om de implementatietermijn.
De vraag of er sprake is van een ernstige schending, is afhankelijk van de duidelijkheid en de nauwkeurigheid van de geschonden regel (de richtlijn).
De rechter oordeelt dat het standpunt van de staat destijds misschien nog verdedigbaar was, maar al in 2001 is er een uitspraak geweest van het Europese Hof van Justitie (Bectu-arrest) waarin het hof de richtlijn heeft uitgelegd. Volgens die uitleg mag het ontstaan van vakantierechten nooit eenzijdig beperkt worden en ook nooit afhangen van voorwaarden waardoor bepaalde groepen werknemers van dit recht worden uitgesloten. De regels in nationale wetgeving mogen wel concrete voorwaarden bevatten voor het opnemen van de jaarlijkse vakantie maar dus niet over het ontstaan van die rechten.
Na deze uitleg had de staat de Nederlandse wetgeving moeten aanpassen. Dat hij dit niet gedaan heeft, is onrechtmatig ten opzichte van de eiser.

Toetsing aan nieuwe vakantiewetgeving
De staat stelt dat de eiser geen nadeel heeft ondervonden als de situatie getoetst wordt aan de vanaf 1 januari 2012 geldende vakantiewetgeving. Daarin is een vervaltermijn opgenomen van 6 maanden na het kalenderjaar waarin de vakantierechten zijn opgebouwd.
De rechter gaat in die redenering niet mee. Het is onduidelijk of de staat bij een vroegtijdiger wetswijziging ook voor deze vervaltermijn van 6 maanden zou hebben gekozen. Daarnaast heeft de werknemer zich niet kunnen instellen op die vervaltermijn door bijvoorbeeld toch vakantiedagen op te nemen of bewijs te verzamelen dat zijn arbeidsongeschiktheid het opnemen van vakantie belemmerde.

Bij eerdere invoering wetswijziging recht op volledige hoeveelheid
Als de staat de wetswijziging binnen een redelijke termijn na het Bectu-arrest had ingevoerd, zou de werknemer ook aanspraak hebben gehad op de volledige hoeveelheid vakantiedagen over zijn ziekteperiode. En dat is wat de rechter ook toewijst. Van de 320 uren waarop de werknemer recht zou hebben gehad, zijn er destijds 100 uitbetaald. De resterende uren, ter waarde van een bedrag van 2651 euro, moet de staat nu betalen.

LJN BV7318
Kantonrechter Den Haag
Opbouw vakantiedagen tijdens ziekte
Eerste aanleg
6 februari 2012

Door mr. Ingrid Kooijman

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.