Schijnconstructie: niet werken, wel salaris

0

De ex-man van de directrice van een bedrijf heeft een arbeidsovereenkomst en ontvangt vijf jaar lang loon. Als de betalingen stoppen, stapt hij naar de rechter om loondoorbetaling te vorderen.

De situatie
In 2005 ondertekent een man een arbeidsovereenkomst met het bedrijf van de vrouw die op dat moment nog zijn echtgenote is. Vijf jaar lang ontvangt hij maandelijks loon, waarover loonbelasting en premies zijn afgedragen. Als de betalingen stoppen, vordert hij in een kort geding doorbetaling van zijn loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

Het bedrijf van inmiddels zijn ex-vrouw vraagt in dezelfde procedure om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst nietig is vanwege strijd met de wet, de openbare orde en de goede zeden en dat er daarmee dus geen arbeidsovereenkomst tussen de partijen bestaat. De overeenkomst is alleen maar opgesteld zodat de directrice destijds minder belasting hoefde te betalen. Daarbij heeft haar ex-man nooit daadwerkelijk voor het bedrijf gewerkt.

Het vonnis in kort geding
De kantonrechter stelt dat een overeenkomst die alleen maar tot doel heeft om belastingheffing te ontduiken, in strijd is met de goede zeden en de openbare orde. Hij oordeelt dat de arbeidsovereenkomst een schijnconstructie was en dus niet heeft bestaan. Het bedrijf heeft met getuigen en een verklaring van het voltallige personeel voldoende aangetoond dat de ex-man nooit voor het bedrijf heeft gewerkt. De kantonrechter wijst de vordering van de man af en verklaart voor recht dat het een valse overeenkomst was met als doel belasting te ontduiken. De ex-man gaat in hoger beroep.

Het oordeel in hoger beroep
Het hof verwijst naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. De raad oordeelde daarmee ook dat een overeenkomst die niet de verplichting om arbeid te verrichten bevat, geen arbeidsovereenkomst is. Ook in dit geval is het een schijnconstructie die alleen bedoeld was om fiscaal voordeel te behalen. De man probeert nog zijn gelijk te krijgen door aan te voeren dat vrijwel alle getuigen familie of werknemers waren. Maar het hof ziet geen reden om aan te nemen dat ‘werknemers in het algemeen meinedige verklaringen zullen afleggen in het voordeel van hun werkgever’. De man voert ook nog aan dat de werkgever hem had moeten oproepen voor arbeid maar het hof stelt dat er dan wel eerst een arbeidsovereenkomst moet zijn, en die is er in dit geval nooit geweest. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Gegevens rechtszaak: ECLI:NL:GHARL:2013:9932
Datum uitspraak: 24 december 2013

Lees meer over:

Over Auteur

mr. Ingrid Kooijman

Mr. Ingrid Kooijman is auteur bij XpertHR. Voor XpertHR Actueel houdt ze de jurisprudentie scherp in de gaten. Ze schrijft over arbeidsrecht, HRM en projectmanagement.

Reageer