Geen vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens wilsgebrek

0

Een werkneemster vernietigt de vaststellingsovereenkomst die ze met haar werkgever sloot. Ze had forse psychische problemen, geen rechtsbijstand en de werkgever heeft haar niet goed geïnformeerd over de gevolgen van haar ontslag. Maar de kantonrechter stelt zware eisen aan de onderbouwing van het wilsgebrek.

De situatie

Een werkneemster meldt zich in maart 2015 ziek. De bedrijfsarts concludeert dat er een medisch objectiveerbare ziekte is die zorgt voor beperkingen in het persoonlijk en het sociaal functioneren. De klachten hangen volgens de bedrijfsarts nauw samen met de gespannen arbeidsomstandigheden en de hoge werkdruk. Hij adviseert een re-integratietraject met gesprekken en een rustige opbouw van uren. De werkneemster wordt door haar huisarts doorverwezen naar de GGZ vanwege het vermoeden van onder andere angststoornissen.

De werkneemster start niet met de re-integratie. Ze geeft aan dat ze naar Duitsland wil verhuizen en er wordt daarom een vaststellingsovereenkomst gesloten. Als ze na een aantal weken weer terugkeert naar Nederland, vraagt ze een WW-uitkering aan maar die aanvraag wordt afgewezen. De werkneemster laat de werkgever weten dat ze de vaststellingsovereenkomst vernietigt in verband met een wilsgebrek. Als de werkgever die vernietiging niet accepteert, stapt ze naar de rechter.

Bij de rechter

De werkneemster vordert loondoorbetaling omdat ze meent dat ze nog steeds in dienst is. Ze heeft immers de vaststellingsovereenkomst vernietigd op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Ze vindt dat de werkgever haar niet correct heeft voorgelicht over het recht op een uitkering en over de consequenties van de vaststellingsovereenkomst terwijl zij geen juridische bijstand had. De werkgever heeft misbruik gemaakt van haar psychische klachten.

Verweer van de werkgever: overeenkomst bevat uitsluitingsbeding

De werkgever stelt dat de overeenkomst een uitsluitingsbeding bevat, wat betekent dat vernietiging van de overeenkomst helemaal niet mogelijk is. Er was ook geen sprake van misbruik of dwaling. De werkneemster is voldoende ingelicht, ze is na het bespreken van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst naar huis gestuurd om erover na te denken. In de overeenkomst staat ook expliciet dat de werkneemster zich ervan bewust is dat ze door haar verhuizing naar Duitsland geen aanspraak kan maken op Nederlandse sociale zekerheid.

[([002_852_rb-image-2810228.jpeg])]

Meer weten over ontslag met wederzijds goedvinden?

Tijdens een webinar op 31 mei legt arbeidsrechtadvocaat Maarten van Gelderen je alle ins en outs uit over ontslag met wederzijds goedvinden. Ook kun je direct je vragen aan hem stellen. Volg het webinar live om 13.00 uur of kijk het webinar achteraf terug. Meer informatie >>>

3. Werknemer mag zich niet oneindig bedenken

Het oordeel

Het uitgangspunt is hier de vaststellingsovereenkomst waarmee de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. De aanleiding daarvoor was dat de werkneemster niet wilde starten met de re-integratie maar naar Duitsland wilde vertrekken. Er is niet gebleken dat ze onder druk is gezet om in te stemmen met de beëindiging van de arbeidsrelatie. Ze wilde zelf zo snel mogelijk vertrekken. De werkgever heeft haar de tijd gegeven om na te denken. In de overeenkomst stond ook een expliciete bepaling over het recht op sociale zekerheid. En ook al zou de werkgever de mededelingsplicht hier hebben geschonden dan komt de dwaling over het recht op een uitkering nog steeds voor rekening van de werkneemster. Die had zich goed over haar rechten moeten informeren.

Zware eisen aan onderbouwing wilsgebrek

Omdat er in de vaststellingsovereenkomst een uitsluitingsbeding is opgenomen waarin staat dat de partijen afzien van het recht de overeenkomst te mogen ontbinden of vernietigen, stelt de rechter hoge eisen aan de onderbouwing van een wilsgebrek. En daaraan heeft de werkneemster niet kunnen voldoen. De vernietiging van de vaststellingsovereenkomst heeft geen rechtsgrond en is dus zonder rechtsgevolgen.

Gegevens rechtszaak:
ECLI:NL:RBNHO:2016:12004. Datum uitspraak: 20 november 2015. Gepubliceerd 9 mei 2016.

Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer