Geen schadevergoeding na verkeersongeval werknemer

0

Dat regulier woon-werkverkeer niet onder het bereik van de zorgplicht van
de werkgever krachtens artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek valt, blijkt wederom uit
een recent arrest van de Hoge Raad.

Artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek bepaalt in het kort dat de werkgever tegenover de werknemer een zorgplicht heeft om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (lid 1). Tevens bepaald lid 2 van dit artikel dat de werkgever tegenover de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de voornoemde zorgverplichting heeft nagekomen of dat de schade een belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

De feiten

Werkneemster rijdt na een teambespreking ’s avonds in haar leaseauto naar huis, en wordt vervolgens door een automobilist aangereden. Als gevolg hiervan raakt zij voor 65-80% arbeidsongeschikt. In eerste twee instanties (zowel bij de Kantonrechter als het Gerechtshof) wordt haar vordering tot schadevergoeding tegenover werkgever (gebaseerd op artikel 7:658, 7:611 en 6:248 Burgerlijk Wetboek) afgewezen. Werkneemster laat het er niet bij zitten, en tekent cassatie aan.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:658 Burgerlijk Wetboek hier niet van toepassing is omdat aan het wettelijke vereiste dat de schade van de werkneemster “in de uitoefening van haar werkzaamheden” moet zijn geleden niet is voldaan. Daaronder valt niet schade geleden door een ongeval tijdens woon-werkverkeer. Dat de teamvergadering buiten gewone werktijd moest worden bijgewoond en dat thuis nog werk moest worden verricht, leiden er niet toe dat dit woon-werkverkeer gelijk is te stellen met vervoer dat plaatsvindt ter uitvoering van een verplichting uit de arbeidsovereenkomst.

Volgens de Hoge Raad kan ook geen aansprakelijkheid worden aangenomen uit hoofde van artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek(‘het beginsel van goed werkgeverschap respectievelijk goed werknemerschap’) en artikel 6:248 (‘het beginsel van de redelijkheid en billijkheid’) Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad verwijst ook naar een eerder arrest van 9 augustus 2002, JAR 2002/205. Deze uitspraak betrof een werknemer die was aangewezen door de werkgever om met zijn eigen auto vervoer te verzorgen voor zichzelf en drie andere medewerkers naar de plaats waar zij werkzaamheden moesten uitvoeren. Hij ontving daarvoor op grond van de toepasselijke CAO een reisurenvergoeding, reiskostenvergoeding en een meerijderstoeslag. Het vervoer moet in een dergelijk geval – aldus de Hoge Raad – worden gelijk gesteld met vervoer dat plaatsvindt in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden, waaruit voortvloeit dat de werkgever in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade van de werknemer heeft te dragen, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

De werkneemster was in dit geval niet aangewezen om het vervoer te verrichten op de wijze – in dit geval met haar leaseauto – en met de bestemming als door haar gekozen en voorts dat het vervoer niet met zodanige regels en plichten was omgeven dat het grote overeenkomsten vertoonde met vervoer krachtens de arbeidsovereenkomst. Het vervoer kan daardoor niet worden aangemerkt als vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en komt daarom ook niet voor vergoeding op grond van art. 7:611 en 6:248 Burgerlijk Wetboek in aanmerking.

Bron:  LJN BB6178
Datum: 30-11-2007

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

Reageer