Bewijslast verdachte transacties bij werkgever

1

Een bankmedewerker wordt geschorst omdat de werkgever vindt dat hij de verdachte transacties op zijn privérekening onvoldoende heeft verklaard. De kantonrechter oordeelt in kort geding dat de bewijslast in deze kwestie bij de werkgever ligt. De werknemer functioneerde altijd goed en de werkgever heeft geen reden om de werknemer niet toe te laten tot het werk.

De situatie

Een bank vraagt een van haar werknemers diverse transacties op zijn privérekening te verklaren. Het gaat om een aantal buitenlandse transacties van totaal bijna € 28.000, diverse contante stortingen van totaal ruim € 45.000 en diverse contante opnames van totaal bijna € 38.000.  De werknemer verklaart de transacties en ondersteunt die verklaring met verschillende bewijsstukken en redenen voor de transacties: facturen van meubels, de aankoop van een auto in de VS, verscheping van de auto, betaling van een buitenlandse opleiding voor een kind van vrienden etc. De werkgever is niet tevreden over de verklaringen en schorst de medewerker. Er wordt een ontbindingsprocedure gestart.

De vordering en het verweer

De bankmedewerker wacht de procedure niet af maar vordert in kort geding onder andere weder te werkstelling. Hij heeft geen ongeoorloofde transacties gedaan of op een ander manier het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd. De transacties in kwestie heeft hij op verzoek van de bank uitvoerig verklaard.

De werkgever is van mening dat de arbeidsrelatie zo snel mogelijk moet eindigen. De werknemer heeft een functie waarin vertrouwen erg belangrijk is. En door de het gedrag van de werknemer is dat vertrouwen er niet meer. Gezien het feit dat de ontbindingsverzoek op korte termijn door de kantonrechter behandeld zal worden, heeft de werknemer ook geen spoedeisend belang bij de weder te werkstelling.

Het oordeel

De kantonrechter vindt dat de werknemer wel een spoedeisend belang heeft omdat het in zijn belang is om tijdens de behandeling van het ontbindingsverzoek aan het werk te zijn.

Over de schorsing oordeelt hij dat die alleen mag voortduren zolang van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden om de werknemer op het werk toe te laten.

Uitgangspunt is hier dat de bewijslast voor de eventuele geoorloofdheid van de transactie bij de werkgever ligt. De werknemer heeft dus een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd terwijl hij dat niet verplicht was. Als de werkgever van mening is dat de werknemer ongeoorloofd heeft gehandeld, moet zij zich tot justitie wenden.

Omdat  de werknemer ook altijd goed gefunctioneerd heeft, is er geen reden om hem niet tot het werk toe te laten. Dat de ontbindingzaak binnenkort voor de rechter komt, leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft er juist belang bij om dan aan het werk te zijn. De kantonrechter wijst de vordering tot weder te werkstelling van de werknemer dan ook toe. 
 
LJN BJ9766
Kantonrechter Amsterdam
Kort geding
17 september 2009

Door mr. Ingrid Kooijman

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone
Lees meer over:

Over Auteur

Redactie XpertHR Actueel

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat jij op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

1 reactie

  1. Een correct oordeel. Hier wordt door een werkgever kennelijk een stok gezocht om de hond te slaan. Daartoe wordt er gespit in het priv?leven van de werknemer. De wet MOT is niet gemaakt ten gerieev van werkgevers maar om Justitie inzicht te geven in de handel en wandel van criminelen. In plaats van te melden misbruikt de bank de wet door geheel ten onrechte op de stoel van de rechter te gaan zitten en daar nog consequenties aan te verbinden ook!. Een afkeurenswaardig voorbeeld van intimidatie bovendien.

Reageer