Bewijslast betwisting arbeidsgeschiktheid bij werkgever

0

Werknemer is na echtscheiding in dienst gekomen van bedrijf van haar ex-man. Na periode van arbeidsongeschiktheid, wil werknemer weer aan het werk. Werkgever stelt dat werknemer arbeidsongeschikt is. Bewijslast ligt bij werkgever.

Werknemer was getrouwd met de algemeen directeur van het bedrijf. Tijdens het huwelijk heeft werknemer de helft van de aandelen van de BV van haar man in haar bezit gehad. Bij de echtscheiding heeft werknemer de aandelen overgedragen aan haar ex, de directeur. Werknemer ontvangt geen alimentatie. Voor de echtscheiding was werknemer actief binnen het bedrijf als aandeelhouder. Na de scheiding is ze per 1 augustus 2005 in dienst gekomen als manager algemene zaken voor een periode van drie jaar. Na die drie jaar zou haar pensioen ingaan.

Werknemer heeft zich met ingang van 31 oktober 2005 arbeidsongeschikt gemeld. Op 6 juli 2007 heeft de bedrijfsarts bericht dat de werknemer voorlopig maximaal enkele uren per dag in staat is tot werk.

Werknemer heeft gedurende 104 weken na de ziekmelding het loon voor 100% doorbetaald. In oktober 2007 bericht werkgever da het loon niet meer zal worden betaald en dat werknemer een WW-uitkering moet aanvragen.

Werknemer heeft in juli 2007 een WIA-uitkering aangevraagd. UWV weigert de aanvraag. Werknemer meldt zich vervolgens weer op het werk, maar wordt naar huis gestuurd.

In kort geding heeft de werknemer wedertewerkstelling en loondoorbetaling geeist. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. De werkgever gaat in hoger beroep.

Beoordeling

Werkgever stelt dat de werknemer, om met succes een loonvordering in te kunnen stellen, de beschikking moet hebben over een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW. De verplichting van de werknemer om een second opinion te overleggen is van toepassing op situaties waarbij loondoorbetaling tijdens ziekte wordt geëist. In dit geval is er sprake van een omgekeerde situatie, waarbij de bewijslast bij de werkgever ligt. Werkgever heeft geen deskundigenoordel overlegd waaruit blijkt dat werknemer niet in staat was tot verrichten van arbeid.

Het hof acht het, gelet op de rapportage van het UWV, zeer aannemelijk dat de fysieke beperkingen al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst bestonden. Die beperkingen leverden toen kennelijk geen bezwaar op voor het sluiten van de overeenkomst. Er is daarom geen sprake van een arbeidsovereenkomst in zuiver economische zin, maar de boedelverdeling en min of meer verhulde alimentatieaspecten hebben ook een rol gespeeld bij de vormgeving van het arbeidscontract.

Dit brengt het hof tot het oordeel dat de beperkingen in de arbeidsovereenkomst verdisconteerd waren en daarmee niet kunnen leiden tot de conclusie dat werknemer niet in staat was haar gedongen arbeidt te verrichten.

Het hof bekrachtigt grotendeels het vonnis van de kantonrechter.

Bron: LJN BH0350
Procedure: Hoger beroep kort geding
Gerechtshof Leeuwarden
Datum: 23-12-2008

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.