Afwijzing vanwege niet aanhangen geloof is geen verboden onderscheid

2

Het Leger des Heils wijst een sollicitante voor de functie van facilitair coördinator af omdat zij niet de de christelijke geloofsovertuiging heeft. Daarmee maakt het Leger direct onderscheid op grond van godsdienst, oordeelt de Commissie Gelijke Behandeling. Het Leger kan zich echter beroepen op een wettelijke uitzondering.

De feiten

In mei 2011 adverteert het Leger des Heils Midden Nederland (hierna: ‘LDH’) dat zij op zoek is naar een facilitair coördinator. De vacaturetekst vermeldt dat de facilitair coördinator een positief christelijke levensovertuiging moet hebben en de doelstelling van LDH onderschrijft. Een kandidaat die reageert, vermeldt in haar sollicitatiebrief dat zij de christelijke levensovertuiging en de doelstelling van LDH onderschrijft ‘vanuit een humanitaire visie’. Ze wordt afgewezen voor de functie. Als reden voor de afwijzing wordt gegeven dat de sollicitante niet de christelijke geloofsovertuiging heeft.

De vrouw meent dat LDH hiermee verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt en stapt naar de Commissie gelijke behandeling (CGB).

Oordeel CGB

De CGB oordeelt dat LDH direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door de sollicitante af te wijzen voor de functie van facilitair coördinator, omdat zij niet de christelijke geloofsovertuiging heeft. Het gemaakte onderscheid is echter niet verboden, aangezien het beroep op de wettelijke uitzondering ex artikel 5, tweede lid, onderdeel a, AWGB, slaagt.

Overwegingen CGB

De CGB stelt vast dat LDH direct onderscheid maakt op grond van godsdienst door in de afwijzing te verwijzen naar de geloofsovertuiging van de sollicitant. Direct onderscheid op grond van godsdienst is verboden, tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering. In artikel 5, tweede lid, onderdeel a, AWGB, is bepaald dat instellingen op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag de vrijheid toekomt om eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de vervulling van een functie. Deze eisen mogen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
Of LDH met recht een beroep kan doen op deze wettelijke uitzonderingsbepaling moet worden beoordeeld aan de hand van:

  1. de grondslag van de instelling;
  2. de consistentie van het gevoerde beleid ter handhaving van de identiteit;
  3. de noodzaak (van het stellen) van de onderscheidmakende functie-eisen; en
  4.  het antwoord op de vraag of deze eisen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

Alleen als -cumulatief- aan de betreffende voorwaarden is voldaan, kan het beroep op de uitzonderingsbepaling slagen.
Omdat de christelijke grondslag van LDH is neergelegd in de statuten en nader is uitgewerkt in onder meer de Nota Identiteit merkt de CGB de organisatie aan als een instelling op godsdienstige grondslag, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, AWGB. Verder vraagt de CGB zich af of LDH in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het hebben van een christelijke geloofsovertuiging en het onderschrijven van haar doelstelling noodzakelijk is voor de vervulling van de functie van facilitair coördinator.
Daarbij betrekt de commissie de stelling van LDH dat de doelstelling van LDH is: ‘het verbreiden van het evangelie van Jezus Christus in woord en daad’. Dit speelt volgens LDH met name een rol in de omgang met cliënten, externen en collega’s. De facilitair coördinator heeft dan wel geen contact met cliënten, toch is wijze waarop de facilitair coördinator invulling geeft aan zijn functie, mede van invloed op de manier waarop de mensen in het primaire proces omgaan met cliënten, stelt LDH. Daarnaast is het in contacten met collega’s van belang dat zij in elkaar dezelfde inspiratie herkennen en elkaar daarop kunnen aanspreken. Tot slot moet iedere werknemer, en dus ook de facilitair coördinator, in externe contacten van harte en vanuit eigen overtuiging de organisatie vertegenwoordigen.
De CGB concludeert dat uit de doelstelling van LDH volgt dat ook van de facilitair coördinator wordt verwacht dat deze het geloof uitdraagt, in ieder geval in externe contacten en in contacten met collega’s. De commissie oordeelt dan ook dat het voor de verwezenlijking van de christelijke grondslag noodzakelijk is dat de facilitair coördinator de christelijke geloofsovertuiging heeft en de doelstelling van LDH onderschrijft. De sollicitante onderschrijft weliswaar de doelstelling van LDH, maar zij heeft niet de christelijke geloofsovertuiging.

Van onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, is tot slot volgens de CGB geen sprake.

CGB Oordeelnummer: 2011-141

MEER WETEN?

Op XpertHR.nl vindt u uitgebreidere informatie over verschillende arbeidsverhoudingen met voorbeelddocumenten, checklists, et cetera. CONTACT
XpertHR.nl is dé HR Antwoordbank. Bent u geïnteresseerd in XpertHR? Vraag dan een demonstratie aan op www.xperthr.nl of bel (020) 515 9555.

 

Lees meer over:

Over Auteur

De redactie van XpertHR Actueel zorgt er gezamenlijk voor dat u op de hoogte blijft van het laatste P&O-nieuws, de ontwikkelingen in het vakgebied en relevante jurisprudentie.

2 reacties

  1. Naar mijn mening dienen dit soort uitzonderingen dan over en weer gemaakt te kunnen worden want anders worden niet-gelovigen hierdoor benadeeld.

    Betekent dat dan ook dat bijv. gemeentes die een onafhankelijke en niet-godsdienstige identiteit dienen te hebben en iedereen gelijk dient te behandelen, streng-gelovigen op basis van hun afwijkende levensvisie mogen afwijzen (bijv. moslims die vrouwen geen hand mogen geven, christenen die geen homo’s willen trouwen) ?

    Dit soort gedrag welk gebaseerd is op personlijke motieven druist namelijk in tegen de onafhankelijke houding die overheidsinstellingen en haar werknemers dienen te hebben.

    Bovenstaand voorbeeld van het Leger des Heils geldt trouwens ook voor scholen op religieuze grondslag waar niet-gelovigen en homo’s afgewezen worden omdat zij door het niet-aanhangen van deze opvattingen niet “passen” in de idee?n van de betreffende besturen (helaas wordt dit vaak niet gezien als het maken van ongeoorloofd onderscheid).

  2. Interessant. Het wordt nog interessanter om de mogelijke consequenties van deze uitspraak te onderzoeken. Zoals S. al aangeeft, kan de uitspraak wat betekenen voor de werkwijze en keuzes van overheden, maar ook het al of niet samenwerken met en bieden van faciliteiten aan LDH staat hier ter discussie.